Stadia van geloofsontwikkeling bij de mens volgens Fowler – een Da’wah perspectief

in Tazkiyyah door
Leestijd: 12 minuten

Fowler beschrijft in zijn werk “The Stages of Faith” in verhalende stijl de verschillende stadia van geloofsontwikkeling bij de mens, of beter gesteld de ontwikkeling van (existentiële) zingeving ‘faith’. Fowler heeft getracht om de geloofsontwikkeling van de mens per leeftijdsstadia te benaderen, deze stadia zijn vanuit het oogpunt van da’wah enorm belangrijk, en kunnen bijdragen aan een succesvolle tarbiyyah (opvoeding) van zowel kind als volwassene. Ik heb getracht om de stadia van Fowler te voorzien vanuit mijn eigen persoonlijke uitleg, hoe ik als moslim deze stadia bekijk en hoe wij als uitnodigers naar Allah en als opvoeders gebruik kunnen maken van deze stadia in de geloofsontwikkeling van de mens.

Het eerste stadia is wat Fowler noemt ‘primal or undifferentiated faith’ en loopt grofweg vanaf o jaar tot 2 jaar. Het geloof wat hier ontwikkeld wordt bij het kind is vooral erg primaat en basic, het is van belang dat het kind op kan groeien in een warme, liefdevolle en veilige omgeving. In deze fase ontwikkeld een kind eigenschappen zoals vertrouwen, leer het dat zijn omgeving te vertrouwen is en veilig is. Wanneer iemand in onveiligheid opgroeit en al op heel vroege leeftijd de ervaring heeft dat zijn omgeving gevaarlijk is en onvoorspelbaar, dan kan dit een blijvend negatief effect hebben op de latere ontwikkeling. Dit fenomeen noemt wel ook wel ‘hechtingsstoornis’, in het vak waar  ik zelf inmiddels al 15+ jaar werkzaam ben, werk ik veel met cliënten die een hechtingsstoornis hebben opgelopen in hun jeugd. Simpel uitgelegd betekent dit dat er in de vroege kinderjaren stoornissen zijn ontstaan bij het hechten, van nature heeft een baby een hechtingspersoon nodig. Dit zijn meestal de ouders maar dit kunnen ook verzorgers zijn, van belang is dat er een persoon is in zijn of haar leven waar het kind zich aan kan hechten. Dit zijn namelijk de eerste personen via wie het kind zich emotioneel ontwikkeld. Hier ontwikkeld het kind ‘liefhebben’, ‘vertrouwen’, ‘moedigheid’, ‘hoop’ en talloze andere belangrijke ingrediënten voor een emotioneel gezonde volwassenheid. Wanneer dit misgaat, doordat de hechtingspersonen geen veilige omgeving hebben aangeboden zowel psychologisch als fysiek, kan het kind zaken ontwikkelen in zichzelf zoals ‘verlatingsangst’, ‘wantrouwen’, ‘wanhoop’, ‘onzekerheid’ etc.

Dit wordt ook aangestipt door Fowler in zijn ‘Stages of Faith’ op blz. 121. Het moge duidelijk zijn dat dit stadium dus een belangrijke voedingsbodem is voor de verdere emotionele ontwikkeling van de mens, en dus ook op de religieuze ontwikkeling. Dit laat het belang zien dat een baby tot zijn 2e jaar vooral moet opgroeien in een vertrouwde omgeving dicht bij zijn moeder en vader. In de Islaam wordt dit benadrukt in bijvoorbeeld het vers in Surah al-Baqarah 233

۞ وَٱلْوَٰلِدَٰتُ يُرْضِعْنَ أَوْلَـٰدَهُنَّ حَوْلَيْنِ كَامِلَيْنِ ۖ لِمَنْ أَرَادَ أَن يُتِمَّ ٱلرَّضَاعَةَ ۚ وَعَلَى ٱلْمَوْلُودِ لَهُۥ رِزْقُهُنَّ وَكِسْوَتُهُنَّ بِٱلْمَعْرُوفِ ۚ  

“De moeders dienen hun kinderen twee volle jaren te zogen, voor wie de zogingsperiode wil volmaken. En op de vader rust de plicht van het voorzien in hun voedsel en hun kleding, volgens de voorschriften.”

Het tweede stadia is wat Fowler noemt ‘Intuitive-Projective Faith’ dit stadium loopt grofweg van het 2e tot het 7e levensjaar en wordt beschreven als een “onbeschermde blootstelling van de psyche aan het onderbewustzijn”. Wat betekent dat het kind vloeiend denkt, niet beperkt door logische kaders en lijnen, er vindt geen inductie en deductie plaats in het denkproces. Hierdoor is het zeer gevoelig voor wat het waarneemt, ook angstige en enge of gewelddadige prikkels kunnen hier door een hevig effect hebben, en een blijvende imprint achterlaten in het onderbewustzijn.

Vanuit da’wah perspectief als ouder zijnde is dit hét moment om bepaalde religieuze en culturele sociale taboes in te prenten, als ook geloofsovertuigingen te zaden in het onderbewustzijn van het kind. Dit kan a.d.h.v. van verhalen en visuele plaatjes, maar ook door het kind ervaringen te laten opdoen. Je kind meenemen, als ouder zijnde, bij het bezoeken van religieuze plaatsen en religieuze vrienden kan aan deze ervaringen bijdragen. Wanneer het kind opgroeit met het zien van broeders en zusters in het geloof in een leuke en gezellige setting laat dit positieve indrukken achter in het onderbewustzijn. Het kind gaat zich op latere leeftijd identificeren met mensen die hij qua uiterlijke kenmerken herkent uit zijn jeugd. Ook religieuze plaatsen en aangelegenheden frequent bezoeken, zoals bijv. de moskee of een ‘umrah, draagt bij aan het inprenten van ervaringen in het onderbewustzijn van het kind. Dit alles laat een positieve indruk achter in het onderbewustzijn van het kind, waardoor het zich op latere leeftijd onbewust zichzelf hiermee associeert.

Het derde stadia is wat genoemd wordt ‘Mythic-Literal Faith’ dit stadium loopt grofweg van het 8e tot het 12e levensjaar. Dit stadium kenmerkt zich door een sterk gevoel van rechtvaardigheid bij het kind en waar men zich bewust is van oorzaak en gevolg. Kinderen in deze leeftijd zijn geneigd zaken zeer letterlijk op te vatten. Metaforen worden minder goed begrepen in dit stadium en wanneer men dus over God spreekt dient men hiermee rekening te houden. Kinderen kunnen vragen stellen over God waarbij God als een mens wordt voorgesteld door het kind. Het is belangrijk in deze fase dit soort menselijke beelden over God bij te stellen. Het is ook positief dat het kind in God een “persoon” ziet waar een relatie mee aangegaan kan worden. Hier kan men het kind leren om te communiceren met God en om aan God alles te vragen wat men nodig heeft, en dat men zich tot God kan keren bij angst en nood. Maar ook bij blijdschap en vreugde kan men het kind aanleren om God dankbaar te zijn voor alle zegeningen. Deze fase leent zich ook goed om de fundamenten van het geloof aan te leren betreffende wat rechtvaardig is volgens God en wat niet. Zaken zoals het onrecht van Shirk, grote zondes zoals alcohol drinken, stelen, liegen etc. kunnen in deze fase goed bijgebracht worden. Zodat dit gevoel van rechtvaardigheid op de juiste manier gevoed wordt. 

Het vierde stadia is wat Fowler noemt ‘Synthetic-Conventional’ faith, dit stadium loopt grofweg van het 12e levensjaar tot de volwassenheid. In dit stadium is men geneigd om zich te conformeren met de directe sociale omgeving, men synthetiseert als het ware het geloof wat men heeft en wat zijn gemeenschap heeft met de externe wereld waarin hij leeft. Alles wat daarvan teveel afwijkt en niet gesynthetiseerd kan worden met het eigen geloof wordt afgestoten en afgewezen en beschouwd als de ‘ander’. Het bestaan van een ander wereldbeeld of andere invulling van de eigen realiteitszin en het zelfbeeld, wordt beschouwd als een ernstige bedreiging op het ‘zelf’ en op het gevormde geloof over voorgenoemde zaken. Men is in dit stadium ook gevoelig voor visuele uitdrukking van het eigen wereldbeeld, zoals in symboliek. Waarbij hetgeen wat door de persoon als heilig of waardevol wordt beschouwd vertegenwoordigd wordt door deze symboliek.

In dit stadium is het belangrijk voor de opvoeder om het kind het belang van gemeenschapsgevoel bij te brengen, en dat men een onderdeel is van een grotere Ummah. Een Ummah welk ooit is begonnen bij de Profeet صلى الله عليه وسلم en zijn metgezellen. Dat deze eerste gemeenschap van de eerste 3 eeuwen de zuivere gemeenschap symboliseert, waar alle andere generaties zich aan zouden moeten conformeren. Dit is als het gaat om religieuze vormgeving, het houdt dus niet in het verwerpen van elke vorm van moderniteit in niet religieuze zaken.

Daarna dient men nuances bij te brengen, iets wat lastig is in dit stadium voor de persoon, maar daarom extra belangrijk om dit toch aan te leren. 1Dit is namelijk ook de leeftijd waarbij veel jongeren in de recente geschiedenis zich aangetrokken begonnen te voelen voor conflicten in het Midden-Oosten. De symboliek en populistische religieuze retoriek van Islamisten en Jihadi groeperingen en hun zelfprofilering als zijnde de voorvechters van rechtvaardigheid, autonomie, bevrijding van de onderdrukten etc. Heeft enorme indruk gemaakt op veel jongeren, bij wie in de meeste gevallen de juiste nuance ontbrak en genoeg religieuze bagage om door de gepresenteerde utopische zeepbel heen te prikken. Dit heeft ervoor gezorgd dat we veel potentie volle jongeren hebben verloren aan de da’wah van deze extreme groeperingen, het is dus van uiterst belang dat opvoeders en du’ât (uitnodigers) zich hiervan bewust zijn en ervoor zorgdragen dat zij de religieuze bagage verkrijgen en/of aanbieden om hier de jongeren tegen te bewapenen. En duidelijk maken dat er alternatieve middelen zijn om deze emoties te kanaliseren en het onrecht wat in de wereld plaatsvind op een andere manier te bestrijden. Men kan geschiedenis lessen geven over het  verloop van de Ummah en de beproevingen die het ondergaan geeft. Zodat men leert dat het geen utopische eenheid is geweest maar dat er ook strubbelingen en opsplitsingen hebben plaatsgevonden. Vervolgens tools bieden om met deze verschillen om te gaan en toch het Ummah gevoel vast te blijven houden. Van belang voor de ouder en de opvoeder is dus om in deze fase veel fundamentele kennis mee te geven over ‘Aqîdah en Fiqh, inclusief de bestaande misvattingen (shubuhât) die er bestaan omtrent de fundamenten van het geloof. Dit zal hem sterken en voorbereiden op de komende stadia. Dit voorkomt mijns inziens dat men in de volgende stadia ontgoocheld kan raken met de bittere en veel genuanceerdere realiteit. Iets wat men in latere stadia pas echt ontwikkeld omdat men dan pas leert reflecteren op een meer individuelere wijze

Het vijfde stadia is wat men noemt het ‘Individuative-Reflective’ faith, dit stadium loopt grofweg van het 21e levensjaar tot het 35e levensjaar. Dit is de periode waar ik kort over sprak bij het vorige stadium. Hier begint men meer te reflecteren en begint men het geloof meer eigen te maken en te individualiseren. Dit is een natuurlijk iets maar hier schuilt ook een groot gevaar wanneer men niet een stevig fundament heeft opgebouwd in de voorgaande stadia. Men kan namelijk een crisis ervaren wanneer men geconfronteerd wordt met andere “waarheden”, met andere ideologieën en doctrines en religieuze overtuigingen. Wanneer men zelf niet stevig gegrondvest is in de eigen Aqîdah en slecht bewapend is tegen de shubuhât (misvattingen), dan kan men gaan wankelen en in verwarring raken.

In dit stadia zijn er dus een aantal zaken belangrijk, wanneer men te maken heeft met een wankel persoon dan dient men in dit stadium te investeren in bijschaven of in sommige gevallen zelfs geheel heropbouwen van de juiste geloofsleer. Dit dient niet te gaan via het reproduceren van geloofsartikelen, want die fase is voorbij en zal het intellect van de persoon niet beroeren of uitdagen en daardoor niet aantrekkelijk of overtuigend overkomen. Diepgaande lessen zijn dan van belang waarbij er ruimte is voor reflectie en discussie. De ouder, opvoeder of dâ’î dient de capaciteiten te bezitten om deze taak op zich te nemen.

Wanneer men wel stevig gegrondvest is door een goede verloop van de voorgaande stadia dan is dit stadium een ideale periode voor verdieping en versteviging.

Het zesde stadia is wat men noemt ‘Conjunctive’ faith’, dit stadium volgens Fowler kenmerkt zich door besef dat de “waarheid” niet zo zwart wit in elkaar steekt als dat men voorheen dacht. En dat er een bepaalde nederigheid ontstaat over de oorsprong van kennis. Dit kan zelfs leiden tot een grote persoonlijke crisis waarbij men denkt dat er geen zuivere waarheid bestaat. Op dit punt ben ik het niet geheel eens met Fowler. Wel in de zin van dat deze ontwikkeling zich inderdaad kan voordoen bij de mens, vooral omdat elk ander wereldbeeld dan de Islaam de mens niet zal kunnen voorzien met een totaalpakket aan waarheidsvinding. De waarheid wordt voor zo een persoon, die geen (correcte) Islaam heeft in zijn leven als zingeving, inderdaad dan ineens iets wat niet zwart wit is. Omdat alle ideologieën en doctrines dan de Islaam, de mens op langere termijn niet kan voorzien van waarheidsvinding. Wanneer men dan in dit stadium van geloofsontwikkeling terecht komt en men tot de ontdekking is gekomen dat zijn of haar overtuigingen niet stroken met de bittere realiteit en niet hebben kunnen voorzien in antwoorden op levensvragen, dan is het logisch dat hetgeen wat Fowler beschrijft zal plaatsvinden bij de mens. Maar in de (correcte) Islaam is dit niet het geval, de Islaam is een levenswijze die voorziet in alle facetten van het leven van economische facetten tot psychologische, sociologische, politicologische facettenetc. Wanneer het gaat om de kern van de boodschap dan is deze heel zwart wit, er is namelijk simpelweg een duidelijke dichotomie. Die van Tawhîd en Shirk, Imân en Kufr, Haqq en Bâtil, daarom wordt er ook onomstotelijk vastgesteld in de Qur`ân en met hele duidelijke woorden:

فَذَٰلِكُمُ ٱللَّهُ رَبُّكُمُ ٱلْحَقُّ ۖ فَمَاذَا بَعْدَ ٱلْحَقِّ إِلَّا ٱلضَّلَـٰلُ ۖ فَأَنَّىٰ تُصْرَفُونَ

Dat is Allah, jullie ware Heer. En na de Waarheid, is er niets dan de dwaling. Hoe komt het dan
dat jullie worden afgeleid?

[Yunus 32]

Derhalve is het belangrijk voor de ouders en de opvoeders en de uitnodigers dat men ervoor zorgdraagt dat de leden van de Ummah de voorgaande stadia goed doorlopen, zodat men in dit stadium niet in een crisis beland als het gaat om de kernpunten van het geloof.

Wat betreft de kwesties binnen het geloof waarin ruimte voor verschil is, of als het gaat om de omgang met andersgelovigen, dan is deze fase uiterst geschikt om nog meer begrip te ontwikkelen voor de grote nuances die bestaan in de wereld, en om het relativeringsvermogen te versterken. Dit zorgt er namelijk voor dat men meer begrip kan opbrengen voor anderen en men zich kan inleven in het wereldbeeld van de ander. Met kan empathie opbrengen zonder sympathie te ontwikkelen met hun afwijkende ideeën. Dit is dan ook de leeftijd waarin men het beste da’wah kan gaan doen bij anderen, omdat men – mitst de voorgaande stadia goed doorlopen zijn – stabieler is en men meer inzicht en inlevingsvermogen bezit, wat belangrijke capaciteiten zijn voor da’wah. Zodat men zachtaardig en met wijsheid da’wah kan verrichten, en met meer begrip, inzicht in de persoon of doelgroep waar men da’wah bij verricht. Op deze leeftijd is er, als het goed is, ook meer mensenkennis en levenservaring ontwikkeld wat ook tot de belangrijke capaciteiten behoort van de uitnodiger. De meest ideale situatie zou dan zijn dat de dâ’î (uitnodiger naar Allaah) zichzelf eerst stevig ontwikkeld in kennis en ervaring in de voorgaande stadia ,om vervolgens in dit stadium pas over te gaan op het verrichten van intensieve da’wah bij anderen.

Het zevende stadia is wat men noemt “Universalizing faith“. Fowler beschrijft dit als een soort van verlichting. Waarbij men zichzelf zover weg relativeert dat men zich enkel nog maar bekommert om het welzijn van alle anderen. Waarbij ben zogenaamd alle religies en wereldvisies overstijgt en men “inziet” dat zij allen uiteindelijk met elkaar overeenkomen in de basis, en gefocust zijn op het welzijn van de mensheid. Fowler noemt personen zoals Moeder Theresa om dit stadium te illustreren.

Persoonlijk vind ik dit net als stadia vijf niet stroken met het Islamitisch perspectief, alhoewel ik het psychologische mechanisme wel kan begrijpen. Ik kan me voorstellen dat wanneer je het geloof bent verloren in een duidelijke dichotomie tussen waarheid en valsheid, dat men dan dit soort geloofsovertuigingen kan gaan ontwikkelen. Want het enige wat dan nog echt overblijft voor zo een persoon om zichzelf mee te associëren, is het mens zijn zelf. Aangezien men de crisis van het voorgaande stadium niet heeft kunnen oplossen, heeft men uiteindelijk alle overtuigingen en ideologieën en religieuze doctrines overboord gegooid en heeft men het kind met het badwater weggespoeld. Het enige wat voor zo een persoon nog wel zwart wit is dat is zijn menszijn, daarin zit geen grijsgebied, deze gedachte wat enkel een vals antwoord is op een slecht doorlopen crisis is waar het hedendaagse Humanisme op inspeelt. In werkelijkheid is dit een hele materialistische kijk op het zijn, waarbij men alles reduceert tot het biologische. Wanneer een mens geen totaalpakket bezit van waarheidsvinding en zingeving dan is zo een ontwikkeling het “beste” psychologische alternatief. Omdat men dan in ieder geval niet destructief bezig is t.o.v. de omgeving, maar het is wel een triest einde als men op zo een wereldvisie sterft. Maar zoals het Arabische spreekwoord zegt “wa ahlaahumaa murr” – de zoetste van de twee (opties)is bitter.

Vanuit een Islamitisch oogpunt op de persoonlijke ontwikkeling in dit stadia en vanuit da’wah oogpunt, zou deze fase zich perfect lenen voor een Islamitische “enlightenment” waarbij de moslim tot het volle besef komt dat alles enkel draait om het originele doel waarvoor men geschapen is.

Het bereiken van het samenzijn met Allâh, deze ma’iyyah met Allâh is een levenslange ontwikkeling die gepaard gaan met bergen en dalen, met vallen en opstaan. De stations (manâzil) die men moet bereiken en passeren om tot deze ultieme ma’iyyah te komen genoodzaken een jarenlange tarbiyyah (opvoeding) en tazkiyyah (zuivering) van de nafs.

Alle stadia die Fowler beschrijft spelen hierin een belangrijke rol, de reis begint dus al vanaf de babytijd en ik durf zelfs te stellen daarvoor al, in de buik van de moeder. Dit stadia zou een prachtig moment zijn waarbij men zich volledig op het redden van de eigen ziel gaat richten. Waarbij men beseft dat letterlijk elke seconde van het leven telt,  dit is de fase waar men in shaa Allaah volledig of haast volledig genezen is van de shahawât(lusten en begeerten) en shubuhât(misvattingen). 2Shahawât en Shubuhât zijn de wapens van Shaytân, hij heeft enkel deze 2 wapens en geen derde 1 Shahawât – lusten: deze spelen in op het lichamelijke gedeelte van de mens 2 Shubuhât – misvattingen: deze spelen in op de ‘Aql van de mens. En de Islaam biedt houvast om deze twee beïnvloedingen tegen te gaan. Het eerste wordt tegengegaan door het opvoeden van de natuurlijke driften van de nafs. Ook wel tarbiyyah an-Nafs genoemd, opvoeding van de nafs. Of Jihaad an-Nafs, bestrijden van de Nafs. En dit gebeurt door ‘ibadah, door handelingen te verrichten van onderwerping aan Allâh. Hiermee beteugeld men de nafs door zich te onderwerpen, en zichzelf te onderdrukken. Men traint het lichaam a.d.h.v. religieuze handelingen om haar natuurlijke kracht ook in te zetten voor andere zaken dan enkel de primitieve driften. Dit verhoogt de mens tot boven zijn dierlijke aard en daarmee onderscheidt de mens zich van de dieren. Het tweede wordt tegengaan door het verwerven van de juiste kennis, dus ‘Ilm over de Islamitische ‘Aqidah. Waardoor de ‘Aql niet onderhevig is aan misvattingen wat ervoor zorg kan dragen dat het onjuiste beslissingen neemt, verkeerde concepten formuleert als overtuiging voor zichzelf, en de realiteit om zich heen verkeerd waarneemt. Waar men het dagelijkse leven enkel nog vult met aanbidding, met dhikr, salawât, het lezen van de Qur’ân, het constant verrichten van goede daden etc.

🖊 Abu Hudayfa Musa ibn Yusuf


Voetnoten:

[1] Dit is namelijk ook de leeftijd waarbij veel jongeren in de recente geschiedenis zich aangetrokken begonnen te voelen voor conflicten in het Midden-Oosten. De symboliek en populistische religieuze retoriek van Islamisten en Jihadi groeperingen en hun zelfprofilering als zijnde de voorvechters van rechtvaardigheid, autonomie, bevrijding van de onderdrukten etc. Heeft enorme indruk gemaakt op veel jongeren, bij wie in de meeste gevallen de juiste nuance ontbrak en genoeg religieuze bagage om door de gepresenteerde utopische zeepbel heen te prikken. Dit heeft ervoor gezorgd dat we veel potentie volle jongeren hebben verloren aan de da’wah van deze extreme groeperingen, het is dus van uiterst belang dat opvoeders en du’ât (uitnodigers) zich hiervan bewust zijn en ervoor zorgdragen dat zij de religieuze bagage verkrijgen en/of aanbieden om hier de jongeren tegen te bewapenen. En duidelijk maken dat er alternatieve middelen zijn om deze emoties te kanaliseren en het onrecht wat in de wereld plaatsvind op een andere manier te bestrijden.

[2] Shahawât en Shubuhât zijn de wapens van Shaytân, hij heeft enkel deze 2 wapens en geen derde :

(1) Shahawât (lusten) : deze spelen in op het lichamelijke gedeelte van de mens
(2) Shubuhât (misvattingen) : deze spelen in op de ‘Aql van de mens

En de Islaam biedt houvast om deze twee beïnvloedingen tegen te gaan. Het eerste wordt tegengegaan door het opvoeden van de natuurlijke driften van de nafs. Ook wel tarbiyyah an-Nafs genoemd, opvoeding van de nafs. Of Jihaad an-Nafs, bestrijden van de Nafs. En dit gebeurt door handelingen te verrichten van onderwerping aan Allâh(‘Ibâdah). Hiermee beteugeld men de nafs door zich te onderwerpen, en zichzelf te onderdrukken. Men traint het lichaam a.d.h.v. religieuze handelingen om haar natuurlijke kracht ook in te zetten voor andere zaken dan enkel de primitieve driften. Dit verhoogt de mens tot boven zijn dierlijke aard en daarmee onderscheidt de mens zich van de dieren.

Het tweede wordt tegengaan door het verwerven van de juiste kennis (‘Ilm) over de Islamitische ‘Aqidah. Waardoor de ‘Aql niet onderhevig is aan misvattingen wat ervoor zorg kan dragen dat het onjuiste beslissingen neemt, verkeerde concepten formuleert als overtu iging voor zichzelf, en de realiteit om zich heen verkeerd waarneemt. 

 

Geef een antwoord

Your email address will not be published.

*