Een oriëntalistische mythe | de Islamitische Gouden Eeuw

in Aqidah - Geloofsleer/Geschiedenis door
Leestijd: 7 minuten

Een van de gevaren bij het opdoen van kennis is het vergaren van kennis via de verkeerde bronnen. Of het te snel duiken in bronnen die boven het niveau liggen omdat men nog niet goed gefundeerd is in de eigen fundamenten. Wat er gebeurt in zo een situatie is dat de vergaarder van kennis zichzelf onbewust blootstelt aan islamvreemde concepten, vervolgens neemt men deze concepten over en borduurt erop voort, met alle gevolgen van dien. Een van de geleende concepten die door veel moslims (onbewust) is overgenomen is het concept van een zogenaamde “Islamitische Gouden Eeuw”, die meestal grofweg gedateerd wordt tussen 800 en 1200. Om een concreter beeld te geven dit was vanaf de stichting van ‘Bayt al-Ḥikmah’ door de Abbasiden tot aan de val van Baghdād door Hulago en zijn Mongolen hordes.

19e -eeuws eurocentrisme

Een van de problemen waar we al direct tegenaan lopen is het probleem van een geschiedenisopvatting welke zich schuldig maakt aan anachronisme. Wat wil zeggen dat men een modern begrip terug projecteert naar een tijd in de geschiedenis waar dit begrip nog niet bestond, vervolgens probeert men de geschiedenis te duiden aan de hand van deze subjectieve projectie. In dit geval bekeek men de Islamitische geschiedenis vanuit een modern 19e -eeuws kader van vooruitgang en beschaving. Waarbij vooruitgang en beschaving van civilisaties aan een moderne eurocentrische oriëntalistische maatstaf worden onderworpen, welke vooruitgang en beschaving meet aan de hand van prestaties op het gebied van wetenschap, technologie, tolerantie, en kritisch denken.

Zelfs het hele idee van civilisatie (beschaving) werd bedacht in de 18e eeuw. Als onderdeel van de zich snel ontwikkelende verlichtingsgedachte werd beschaving opgevat als een teken van de evolutie van de mens van de stadia van grofheid en barbaarsheid naar de stadia van verfijning en raffinement. Zoals Adam Ferguson (gest. 1816), een Schotse filosoof en historicus van de Schotse Verlichting, schreef in zijn boek “The History of Civil Society” (1767):

“Niet alleen het individu gaat van kindertijd naar volwassenheid, maar de soort zelf van grofheid tot beschaving.”

Adam Ferguson was de eerste die in het Engels de term “beschaving” gebruikte. In het Frans was het Victor de Riquety Marquis de Mirabeau (gest. 1789), een Franse econoom en een leidende figuur van de Franse Verlichting. Het hele concept van “Beschaving” werd dus gecreëerd in de milieus van westerse kolonisatie en imperialisme en werd gebruikt voor hun rechtvaardiging en consolidatie.

Westerse kijk op de Oriënt

Kortom, vanuit de oriëntalistische bril werd die periode in de Islam bezien als een Gouden Tijdperk. Waarom? Omdat zij ontdekten dat de moslims in dat tijdperk zichzelf onderdompelden in het Hellenisme, zij talloze Griekse manuscripten vertaalden naar het Arabisch, en Griekse concepten en ideeen begonnen te lenen en verder te ontwikkelen. Dit creëerde een boost in de wetenschappelijke ontwikkelingen, daar de moslims deze kennis verder doorontwikkelde en ongekende hoogstandjes bereikten op het gebied van allerlei wereldse wetenschappen. Dit werd gedaan door alle samenlevingen uit de wereldgeschiedenis, en het is dus niet iets specifieks voor de moslimgemeenschap.

Voor de oriëntalist was dit een bewijs voor hun eigen geweldigheid, daar zij de Westerse beschaving als de meest ontwikkelde beschouwden. Oosterlingen werden gezien als een exotisch volkje, barbaars, incapabel tot rationeel denken. In de ogen van de oriëntalist staat de ‘Oriënt’ (het Oosten) gelijk aan een reeks inherente kenmerken. Het is (1) monolithisch, (2) statisch en stilstaand, of onveranderlijk, (3) inferieur, eenvoudig en irrationeel, en (4) primitief, exotisch en mysterieus. Deze ideeën (of dogma’s) zijn hun onderliggende aannames waarmee zij trachten de Arabieren, de islam of andere ‘oosterse’ culturen en mensen te begrijpen. Het is dus “een stijl van denken of perceptie waarmee westerlingen het Oosten gingen begrijpen, waarnemen en definiëren”.[1]

M.a.w. die moslim barbaren hadden deze wetenschappelijke hoogstandjes enkel bereikt doordat zij in aanraking waren gekomen met de geweldige Westerse beschaving van de Grieken. In een nutshell is dit waar het concept van een “Islamitische Gouden tijdperk” vandaan komt, slechts een bastaardkindje van het Oriëntalisme.

Gekolonaliseerde mindset: slachtoffer wordt dader

Een ander probleem met de term “Gouden tijdperk” is dat het impliceert dat het tijdperk daarvoor dus minder hoogstaand was, én dat de periode daarna enkel een periode van verval zou zijn. Wanneer de moslim dit soort concepten (onbewust) overneemt maakt hij zichzelf schuldig aan subjectieve benchmarking, met alle gevolgen van dien. Aan deze negatieve gevolgen worden wij dagelijks blootgesteld, daar vele moslims, met name de activistische tak, zichzelf optrekken aan dit “Gouden tijdperk”. Men lijdt onbewust aan een minderwaardigheidscomplex ten opzichte van de Westerse dominantie en voelt de drang om dit “Gouden tijdperk” te romantiseren om zo een gevoel van waardigheid en superioriteit eraan te ontlenen. Dit leidt tot activistische uitspraken zoals dat het Westen haar wetenschappelijke voorruitgang te danken heeft aan de moslims, en dat de Islām en de moslims de hoogste voorbeelden hebben laten zien van tolerantie en rationeel denken. Ondanks dat de moslims wel degelijk hebben bijgedragen aan wetenschappelijke ontdekkingen, en er genoeg momenten zijn geweest in de geschiedenis waar moslims noemenswaardige voorbeelden hebben laten zien van tolerantie, zijn dit geen unieke karakteristieken die alleen door moslims zijn tentoongesteld. Zoals mooi wordt omschreven in het artikel “Beyond “Tolerance” and “Intolerance”: Deconstructing the Myth of the Islamic Golden Age”:

Salahuddin was de meest tolerante man van zijn tijd” is een bewering die men vaak tegenkomt bij veel individuen en groepen die het idee van een “Islamitische Gouden Eeuw” propageren. Soms wordt ons zelfs verteld dat religieuze tolerantie onbekend was in christelijk Europa, terwijl het zogenaamd gedijde in de islamitische wereld. Dergelijke uitspraken worden zelfs herhaald in meer reguliere intellectuele kringen, zij het met meer verfijnde argumentatie en bronnen. Een serieus historisch engagement met de middeleeuwse geschiedenis zal echter aantonen dat Salahuddin niet bepaald de anomalie was die hij vaak wordt afgeschilderd. Hij zou gemakkelijk kunnen worden vergeleken met verschillende niet-islamitische heersers die in de twaalfde en dertiende eeuw leefden. Bijvoorbeeld Alfonso VI van Castilië-Leon (r. 1077-1109), James I van Aragon (r. 1213-1276) of Roger II van Sicilië (r. 1130-1154), die allemaal grote aantallen moslims tolereerden en joden die onder hun heerschappij leefden; Alfonso VI nam de titel “Keizer van de twee religies” aan om zijn toewijding aan zijn moslimonderdanen te onderstrepen en Roger II stond bekend als “de gedoopte sultan” vanwege zijn genadige behandeling van moslims en bevordering van de Arabische cultuur. In feite waren er in de vijftiende eeuw waarschijnlijk meer moslims die onder christelijke heerschappij leefden in Spanje dan degenen die onder islamitische heerschappij leefden. Inderdaad, een belangrijke codex van de islamitische wet – de Brevario Sunna – werd in deze periode in het Spaans samengesteld door Yca de Segovia (ca. 1450) voor gebruik door de Hispano-moslims. Deze feiten zijn echter problematisch voor veel moslims die het perspectief van de “Gouden Eeuw” willen bevorderen, omdat het hun nadruk op een islamitisch exceptionisme ondermijnt, waarvan Salahuddin wordt gezien als vertegenwoordiger.

Kortom, wat de moslims zijn gaan doen is hetzelfde wat de oriëntalisten deden maar dan omgekeerd, door een reductionistische essentialistische kijk toe te passen op de Occident (het Westen). Door te vertrekken vanuit dit beeld moesten de moslims wel superieur zijn aan het Westen aangezien het Westen haar wetenschappelijke hoogstandjes gewoon hadden te danken aan de moslims en hun Gouden tijdperk van wetenschap. Met deze gekolonaliseerde mindset ontleent de moslim zijn waarde, eer, en superioriteit aan de verkeerde maatstaven, aan materialistische zaken zoals wetenschappelijke ontwikkelingen, economische voorruitgang en dubieuze termen zoals tolerantie en rationaliteit.

Ware eer en superioriteit worden enkel ontleend aan een zuivere ‘Aqidah

Wat de moslim eigenlijk zou moeten doen is zijn eer en superioriteit ontlenen uit zijn Aqidah, welke Goddelijke leiding is voor de mensheid die is geopenbaard aan – en is gebracht door geleide Boodschappers, niet bedacht door filosofen die niet geleidt waren door Allaah. Dát is hetgeen wat de moslimgemeenschap onderscheidt van alle volkeren en wat hen tot de beste gemeenschap maakt die ooit uit de mensheid is voortgekomen. De moslim dient te vertrekken vanuit de Qurʾān en de Sunnah en de Weg van de Selef as-Saalih bij het ontwikkelen van concepten en zienswijzen over de wereld. Want Allāh heeft de waarheid en superioriteit niet verbonden aan technologische hoogstandjes, wetenschappelijke ontdekkingen, militaire overwinningen, of economische vooruitgang. Noch heeft Allāh de voorgenoemde zaken gemaakt tot een bewijs tegen de mensheid voor Zijn bestaan en Zijn alleenrecht om aanbeden te worden. Integendeel, Allāh heeft de waarheid, superioriteit en het bewijs tegen de mensheid gekoppeld aan Zijn openbaring. Aan de Qurʾān en de Sunnah die, wanneer zij verworpen worden door de mens, als een bewijs zullen zijn tegen hem op het Dag des Oordeels. Het is de Tawḥīd van Allāh, Zijn alleenrecht om aanbeden te worden, en het volgen van de Goddelijke wetgeving (al-Sharīʿah) wat de mens naar de hoogst haalbare beschaving zal tillen. De grootste gunst die Allāh heeft gegeven aan de mens is het sturen van Zijn Boodschappers met de Leiding en de Ware Godsdienst.

هُوَ ٱلَّذِىٓ أَرْسَلَ رَسُولَهُۥ بِٱلْهُدَىٰ وَدِينِ ٱلْحَقِّ لِيُظْهِرَهُۥ عَلَى ٱلدِّينِ كُلِّهِ ﴿ 

﴾ وَكَفَىٰ بِٱللَّهِ شَهِيدًۭا ۦ   

Hij is Degene Die Zijn Boodschapper (d.w.z. Mohammed) heeft gestuurd met de Leiding en de ware godsdienst (d.w.z. de Islam), om deze boven alle (andere) godsdiensten te laten prevaleren. En Allah volstaat als Getuige

Het waren deze twee zaken, de Qurʾān en de Sunnah, die de moslims in staat stelde om de hoogtepunten te bereiken van menselijke beschaving. Allāh eerde hen door toedoen van het volgen en implementeren van deze twee openbaringen, en hij heeft dit gemaakt tot de enige manier waarop wij als gemeenschap deze glorieuze tijd kunnen terughalen.

وَعَدَ               

               

“En Allah heeft degenen onder jullie die geloven en goede werken verrichten beloofd, dat Hij hen zeker op aarde als gevolmachtigden aanstelt, zoals Hij degenen vóór hen als gevolmachtigden aanstelde, en dat Hij hun godsdienst die Hem voor hen behaagde zeker bevestig en dat Hij voor hen na hun vrees (door) veiligheid vervangt. Zij aanbidden Mij en zij kennen Mij in niets deelgenoten toe.

Dus het vestigen van de Tawḥīd en het vermijden van al-Shirk, het volgen van de Boodschapper ﷺ en het vermijden van al-Bidʿah is de énige weg naar succes, eer, en superioriteit. Het Gouden tijdperk voor de moslims was niet de periode van de Abbasiden, waar filosofen en mutakallimīn hoogtij vierden en daar de zaadjes plantten voor talloze afgedwaalde groepen en sektes en hun innovaties die afbreuk deden aan de zuivere Tawḥīd en de weg van de Salaf. Voor de moslims is het “Gouden Tijdperk” de periode van de Profeet ﷺ en zijn metgezellen tot aan de rechtgeleidde kaliefen, en de twee generaties die daarop volgden. Dat is het juiste islamitische perspectief in plaats van een eurocentrisch perspectief dat de waarde van een beschaving beoordeelt op basis van wetenschappelijke en technologische “vooruitgang” en “ontwikkeling”.

De Profeet ﷺ zei: “De beste mensen zijn die van mijn generatie, dan degenen die na hen komen, dan degenen die na hen komen” (Ṣaḥīh al-Bukhārī).

[1] Zie: “On Orientalism and Orientalism-in-Reverse Among Muslims: Some Aspects of Edward Said’s Contributions and Its Misappropriation”

Geef een antwoord

Your email address will not be published.

*