Het Ottomaanse rijk tussen romantiek en realiteit: De Turkse bezetting van de Arabische gebieden

in Geschiedenis door
Leestijd: 13 minuten

Toen Selim Damascus bezette, ondervond de bevolking daar een ongekende mate van onderdrukking en wreedheid. Sommige geleerden daar wensten zelfs de dood, zo verontwaardigd waren zij over de gruwelijke daden van de Turken en hun corruptie. Zo wenste Abu al-Fadl Ali b. Mohammed al-Maqdisi al-Shaafi’i (overleden: 934 H/1527) de dood vanwege de beproeving die plaatsvond op de dag dat de Ottomaanse staat Damascus bezette en belastingen oplegde op de inkomsten van prostituees, zeggende: “Is er een grotere Fitnah dan dit?“.

Liever pdf

Een belangrijke historische opmerking over de term “Ottomaanse Turkse bezetting

Sommigen kunnen bezwaar maken tegen het gebruik van de term “bezetting” en accepteren het niet als een term om de Arabische landen onder de dominantie van de Ottomaanse Turken te beschrijven; dit is enkel te wijten aan het feit dat:

  • Hun onderzoek tekortschiet in het continu onderzoeken van de hedendaagse bronnen van de beginnende gebeurtenissen van de invasie van de Ottomaanse legers in de Arabische landen
  • En omdat de bezwaarmakers hun ogen sluiten voor de verhalen van ooggetuigen die de gebeurtenissen van die tijden hebben meegemaakt.
  • Daarnaast is het zo dat sommige historische studies in de afgelopen decennia zijn beïnvloed door de giftige pennen van partijdige schrijvers die de geschiedenis voor hun eigen voordeel willen gebruiken, zoals de recente toename van onwaarheden die door de Neo-Ottomanen[1] worden verspreid, meer dan in enige eerdere periode.

En de waarheid is dat de aanwezigheid van de Ottomaanse Turken in de Arabische landen niets anders was dan een bezetting vanuit historisch, politiek en menselijk oogpunt. Hun daden in de Arabische landen toen ze deze binnenvielen zijn precies dezelfde als die van een binnenvallende (Tataarse) bezetter die enkel geïnteresseerd is in politieke expansie in die landen, gevolgd door plundering, het beroven van de rijkdommen van hun inwoners, het bezetten van hun huizen en land, en het verdrijven van de bewoners ervan. Om zo plaats te maken voor de Turkse Tataarse soldaten[2] en andere niet-Arabieren van hun soort van de Mongolen[3] en anderen van de inwoners van Anatolië.

De grootgeleerde Hamad al-Jaasir (overleden: 1421 H/ 2000)[4] schreef een waardevolle opmerking met een diepgaand inzicht in het lezen en begrijpen van de geschiedenis. Hij zei:

Het oprichten van de Ottomaanse staat door het zenden van campagnes om de Arabische Peninsula onder haar heerschappij te brengen wordt beschouwd als de eerste georganiseerde buitenlandse invasie, en ongeacht haar doelen en doelstellingen, was het de eerste van de pogingen tot buitenlandse overheersing van die landen en de vernietiging van hun onafhankelijkheid.[5]

De onderzoeker en Muhaqqiq Mohammed Haamid al-Faqi (overleden: 1378 H / 1959)[6]zei:

De Ottomaanse staat was niets anders dan een ramp voor de islam en moslims; omdat het op geen enkel moment werkte aan het versterken van de structuur van de islam of het versterken van de banden tussen moslims, maar werkte alleen om de grillen van haar sultans en leiders te bevredigen en hun verlangens naar macht en begeerten te vervullen, en haar expansies waren niet voor het verspreiden van de islam en het verspreiden van zijn licht in de landen waar ze zich uitbreidden, anders zouden er blijvende sporen zijn zoals die van andere islamitische veroveringen; haar oorlogen waren in de meeste gevallen alleen voor heerschappij en leiderschap[7].

Onderzoek naar de Turkse bezetting van sommige regio’s van het Arabische schiereiland en haar omgeving

Het is bekend dat de Ottomaanse Turkse bezetting van de Arabische landen begon met de invasie van de Ottomaanse sultan Selim I (overleden: 926H/ 1520)[8] en zijn Ottomaanse Turkse legers in Syrië in Shaʿbān 922H (september 1516). Deze huurlingenlegers, bestaande uit diverse volkeren, trokken door de Syrische gebieden. Nadat die legers zich in Damascus hadden gevestigd “dachten de inwoners dat de hemel op de aarde was neergedaald[9] vanwege wat de Turken de mensen van Damascus aandeden, zoals beschreven door een ooggetuige.

Hij zei: “De legers vielen Damascus en haar buitenwijken binnen om het te bewonen, waardoor veel mensen uit hun huizen werden verdreven en hun bezittingen en voorraden werden weggegooid. Vele zwangere vrouwen werden neergesmeten, sommigen vestigden zich in moskeeën en scholen met hun gezinnen, ik werd uit mijn huis verdreven en mijn boeken werden weggegooid, en niemand werd gerespecteerd, jong of oud, noch de mensen van de Qurʾān, noch de mensen van kennis[10]

De Turkse legers vielen ook al-Salihiyah[11] en alle wijken buiten Damascus aan. Ze braken de deuren van huizen, voorraadkamers en winkels open, en namen de bezittingen en middelen van de mensen in beslag. Slechts enkelen, door Allaah verborgen gehouden, ontsnapten aan hen. Vrouwen werden ontkleed naast mannen. De vrouwen die zich hadden verzameld in de Hanbali-moskee en de school van Abu Amru en al-Sawwabiyyah, werden aangevallen. “Ze vielen hen aan, ontkleedden hen, en namen sommige vrouwen, concubines, slaven en enkele jongens mee. De mensen beefden van grote angst en deze gebeurtenis in Damascus werd beschouwd als vergelijkbaar met de invasie van Timur Lenk, of zelfs als de Dag des Oordeels.[12]

Het is niet verrassend, want de Ottomaanse sultan Selim I was berucht om zijn brute kracht en bloeddorstigheid, een roekeloze zwaardvechter[13], “bekend om het vergieten van veel bloed en grote vernietiging[14]. Toen hij aan de macht kwam, vermoordde hij eerst zijn broer Ahmed door wurging, daarna zijn broer Korkud, gevolgd door zijn broer Mahmud en zijn kinderen, allemaal door wurging, en vervolgens nog zeventien leden van zijn familie[15]. Toen Selim Damascus bezette, ondervond de bevolking daar een ongekende mate van onderdrukking en wreedheid. Sommige geleerden daar wensten zelfs de dood, zo verontwaardigd waren zij over de gruwelijke daden van de Turken en hun corruptie. Zo wenste Abu al-Fadl Ali b. Mohammed al-Maqdisi al-Shaafi’i (overleden: 934 H/1527) de dood vanwege de beproeving die plaatsvond op de dag dat de Ottomaanse staat Damascus bezette en belastingen oplegde op de inkomsten van prostituees, zeggende:

Is er een grotere Fitnah dan dit?“.

Na de bezetting van Syrië door sultan Selim en zijn legers, marcheerden ze naar Ghurrah, waar ze de mensen vermoordden, plunderden en vrouwen en kinderen ontvoerden[16]. Vervolgens marcheerde hij met zijn legers naar Egypte en bezette het, en pleegde gruweldaden tegen de bevolking. Dat gebeurde in Dhu l-Hijjah 922 H/januari 1517.[17] Toen hij de nabijheid van Caïro naderde en zich voorbereidde op de slag bij Raydaaniyyah[18] tegen de Mamlukse sultan van Egypte, al-Ashraf Tuman Bey[19], nam de angst onder de inwoners van Caïro toe. Handelaren haastten zich om hun bezittingen en geld uit sommige winkels in de markten te verplaatsen, verbergend op vergeten locaties in de hoop op veiligheid, wat later niet het geval bleek te zijn. Velen verlieten de randen van de stad en zochten toevlucht in Caïro zelf. Vooraanstaande burgers brachten hun waardevolle stoffen naar het westen, verstopt in scholen, zaawiya’s, heiligdommen en zelfs in huizen van gewone mensen in verschillende wijken, in de hoop deze te beschermen, maar helaas bleek dit later ook tevergeefs.[20]

Na de nederlaag van Tuman Bey door de Ottomaanse sultan Selim drongen Selim en zijn Turkse legers Caïro binnen aan het einde van Dhu l-Hijjah 922 H/januari 1517. De Ottomaanse legers plunderden de huizen van de mensen onder het voorwendsel dat ze op zoek waren naar de Mammelukse Jaraakisah, dus bleven ze drie opeenvolgende dagen huizen plunderen, waarbij ze stoffen, paarden, muilezels, kamelen en ezels roofden. Ze lieten niets bruikbaars achter. De Ottomaanse sultan riep elke dag dat er veiligheid zal zijn in Caïro, terwijl zijn mannen plunderden en moordden[21].

Vervolgens trokken de Turkse legers naar de Mashad van Sayyidah Nafisah, waar ze de graftombe binnendrongen, over haar graf liepen, haar zilveren kandelaars, kaarsen en de tapijten van de zaawiyah meenamen en iedereen in de mashad vermoordden[22].

Vervolgens trokken ze naar de Shaykhu-moskee, waar ze het gebouw in brand staken, iedereen die zich daarbinnen bevond doodden en de nabijgelegen huizen verwoestten. Daarna bezochten ze de moskeeën van al-Azhar, al-Hakim en Ibn Tulun. Hier vermoordden ze allen die daar hun toevlucht hadden gezocht. De lichamen lagen verspreid over de straten van Caïro, verscheurd door honden.[23].

Ze stopten daar niet; ze gingen naar de boerderijen van de boeren en stalen hun kippen, ganzen, vee en gewassen, vervolgens verspreidden zij zich om de deuren van hun huizen en het hout van hun daken te stelen, en mensen te beroven van hun tulbanden en hen te ontkleden op afgelegen plaatsen na het avondgebed.[24]

Ze ontvoerden toen vrije vrouwen en kinderen en verkochten hen alsof het slaven waren, dus kochten mensen met een beetje mededogen hen terug en bevrijdden hen[25].

 Vervolgens richtten ze hun aanval op het fort, ontmantelden de pilaren en namen deze mee om ze naar Istanbul te sturen, met het doel er een school mee te bouwen!!! Hierna vielen ze de paleizen van de prinsen aan, evenals hun huizen en de huizen van het gewone volk, inclusief sommige waqf-woningen, waar ze de marmeren vloeren verwijderden. Daarna drongen ze binnen in de Mahmudiyyah, Mo’ayyadiyyah en Sarghatmishiyyah scholen, waar ze boeken en meubilair plunderden.[26].

Vervolgens gaf de Ottomaanse sultan Selim opdracht om iedereen in Caïro die werkzaam was als bouwvakker, timmerman, marmerbewerker, tegelzetter, smid, papierhandelaar, drankverkoper, en wie dan ook die betrokken was in de handel, te deporteren naar Istanbul. Dit was bedoeld om bij te dragen aan de opbouw van zijn Turkse land. Daarnaast introduceerden de Ottomaanse Turken belastingen die ze innen van prostituees. Deze prostituees bedreven hun activiteiten met de goedkeuring van de Ottomaanse Turkse gouverneur.[27].Het resultaat van de Turkse bezetting van Egypte was dat de Hijaz officieel onder hun heerschappij viel in het jaar daarna[28] [29].

Vervolgens richtten de Turken, na Syrië, Egypte en de Hidjaz, hun aandacht op het voltooien van de bezetting van het oostelijke, westelijke en zuidelijke deel van het Arabisch Schiereiland, met uitzondering van het centrale deel – dat wil zeggen Najd en de omliggende gebieden ten noorden en boven ervan – met een verlangen naar expansie enerzijds, en anderzijds als excuus om het Portugese gevaar af te weren van een gebied dat de heilige islamitische plaatsen omvat.[30]

De weg voor de Ottomanen om de randen van het Arabisch Schiereiland te bezetten was geëffend nadat zij in 941 H/ 1534 Bagdad en de omliggende gebieden hadden bezet[31]. Hun beweegredenen om Irak binnen te vallen waren niet wat ze verkondigden en propageerden, namelijk dat ze kwamen om het Safawidische gevaar af te weren en de Soennieten te redden; in plaats daarvan was de bezetting van Irak een verlangen naar expansie, niet om de Safawiden af te weren. Het bewijs hiervoor is dat toen Sultan Sulaymaan de Grootse (overleden 974 H/ 1566) Irak bezette[32], hij zijn aandacht – meer dan wat dan ook – richtte op het bezoeken van de Sjiitische heiligdommen in Midden-Eufraat. Na zijn bezoek verbeterde hij de stad Karbala en Najaf, herstelde wat vernield was van zijn gebouwen, bouwde tuinen en boomgaarden om hen heen, en voorzag hen van water, zodanig dat hij hen aantrekkelijk maakte voor bezoekers. Vervolgens bezocht hij de koepel van Musa al-Kadhim, Mohammed al-Jawad en het graf van Ali ibn Abi Talib[33].

Nadat de Ottomaanse Turken hun bezetting over Irak hadden bewerkstelligd, slaagden ze er later in om enige dominantie in Jemen te verkrijgen in het jaar 945 H/ 1538[34]. Ze beweerden dat ze Jemen wilden beschermen tegen het gevaar van een aanval door de Portugese Franken, maar de historische realiteit toont aan dat dit niet hun werkelijke intentie was. Het waren de Egyptische Mammelukken die de Portugese Franken op de kusten van Jemen en rondom India weerstonden. Toen de toenmalige sultan van Egypte, Qansuh al-Ghuri (overleden: 922 H/ 1516)[35], zijn vloot stuurde om tegen de Portugezen te vechten, werd hij verrast door een aanval van de Ottomanen op zijn land en de Arabische landen, waardoor de Arabieren werden afgeleid van de strijd. Dus in plaats van dat de Ottomanen tegen de christelijke Portugezen vochten vielen zij de moslims aan.[36]

Als je de geschiedenis van die periode onderzoekt, zul je ondervinden dat de mensen van Aden en al-Shihr[37] degenen waren die hun Portugese vijanden bevochten toen deze hen aanvielen[38], en er waren geen Ottomaanse Turken betrokken bij die incidenten.

Toen de Ottomaanse schepen in Aden arriveerden met het excuus om tegen de Portugezen te vechten, vochten de Turken niet tegen de Portugezen, maar verspreidden zij zich in Aden nadat ze haar gouverneur hadden bedrogen en hij de poorten voor hen opende. Ze begonnen de stad grootschalig te plunderen en stalen wat ze konden uit de markten en huizen van de stad. Daarna verraadden ze de emir van Aden nadat ze hem veiligheid hadden beloofd door hem uit te nodigen op het schip van de Turkse commandant, die hem aan boord ophing en kruisigde[39]. Vervolgens nam deze Turkse commandant een aantal vooraanstaande Jemenitische Arabieren gevangen als gijzelaars om de loyaliteit van de stammen te waarborgen en de belastingbetalingen te verzekeren[40].

In de Hidjaaz gebeurde hetzelfde als in Jemen. Hoewel de Turkse bezetting kwam op verzoek van de Shariff van Mekka, kwam de werkelijke dominantie van de Ottomaanse Turken daar pas na het succes van de Arabische jihad van Mekka tegen de Portugezen. Dit gebeurde toen de mensen van Mekka, Jeddah en hun Shariff Abu Nimi (overleden: 990 H/ 1580)[41] jihad voerden tegen de Portugezen, die in 948 H/ 1541 in de haven van Abu al-Dawaa`ir[42] aan de kust van Jeddah landden. Abu Nimi riep op tot een algemene jihad tegen de christelijke Portugezen in de markten van Mekka en onder de stammen, waarna de lokale bevolking en de bedoeïenen zich vrijwillig aanmeldden. Abu Nimi voorzag hen van wapens en ze trokken in een groot leger naar Jeddah, waar ze de Portugezen ontmoetten en hen krachtig van hun haven verdreven, met Abu Nimi in de voorste linies van de verdedigers, gezien in zijn harnas en gewapend de strijders leidend[43].

 Al deze gebeurtenissen vonden plaats zonder enige werkelijke aanwezigheid of rol van de Ottomaanse Turken in het afweren van de Portugezen uit de Hijaz.

De Ottomaanse Turken profiteerden ook van het succes dat voortkwam uit de jihad van de volkeren van de Arabische Golf tegen de Portugezen, en profiteerden van de behaalde successen door zeelieden in die strijd; maar de Ottomanen gebruikten dit alles slechts om een voet aan de grond te krijgen voor Turkse dominantie in de Arabische Golf[44]. Zij bezetten al-Ahsaa rond het jaar 963 H/ 1556 [45] en dit was voor hen geen lastige taak.[46]

Na deze Ottomaanse Turkse dominantie over de genoemde Arabische gebieden, moeten we ons afvragen hoeveel ontwikkeling en verandering er daadwerkelijk heeft plaatsgevonden?

Ik zeg: Bij een grondige analyse van de gebeurtenissen uit die periode, na de Turkse bezetting van de Arabische landen, wordt onvermijdelijk de conclusie getrokken dat de chaos onophoudelijk zijn greep behield op elke hoek van de Arabische wereld, ook al waren er momenten van tijdelijke rust. De stagnatie, reeds zichtbaar voor de komst van de Ottomaanse Turken, verergerde tot een lethargische staat in de Arabische landen onder hun heerschappij. De Arabische geest raakte verzonken in onwetendheid, en zelfs de kleine vonken van vooruitgang die zichtbaar waren in Syrië en Egypte, doofden uit. Met de dominantie van de Ottomaanse Turken viel alles in de Arabische landen stil en raakte in verval, en deze heerschappij ontpopte zich als een kwaad voor hen. De Arabieren werden onder hun bewind bijna als vee behandeld.[47].

Zelfs de Hanbali geleerde Abd al-Qaadir b. Badraan (overleden: 1346 H/ 1927) [48] schreef zijn boek “Manaadamah al-Atlaal” in verdriet en spijt over de vernietiging door de Ottomaanse Turken van de scholen die Damascus ooit bevolkten voordat zij kwamen.

Vertaling: Abu Hudayfa Musa ibn Yusuf

Bron:al-Istiy’aab fie Taarikh al-Dawlah al-Su’udiyyah al-Uwlaa wa Da’wah al-Shaykh Muḥammed b. ‘Abd al-Wahhāb”, Dr. Sultan Faalih al-Asqah


[1] (1) Over de Neo-Ottomanen, zie: Basma Abd al-Latif, “al’Uthmaaniyyah al-Djadidah fie Daw’i al-Tatawwuraat al-Iqlimiyyah al-Raahinah“, Magazine van Turkse aangelegenheden, nummer 1, zomereditie 2015 (128 – 129) (132 – 135).

[2] Qutb al-Din al-Nahrawaali vermeldde in zijn boek “al-I’laam bi-A’laam Bayt Allah al-Haram” (264) dat de Ottomaanse Turken oorspronkelijk afstammen van de rondtrekkende Turkmenen, een tak van de Tataren. Dit werd ook overgenomen door de historicus Mohammed Amin al-Muhibbi in “Khulasah al-Athar” (24/1). De historicus en schrijver Mohammed Kurd ‘Ali stelde in zijn boek “al-Mudhakkiraat” (159/1) dat de Turken een tak van de Tataren zijn, waarvan de afkomst zeker bekend is en niet voor discussie vatbaar.

[3] Voor bewijs dat ze van de Mongolen afstammen, zie de commentaren van Shakib Arsalan op “Haadir al-‘Aalam al-Islaami” door Lothrop Stoddard, de Amerikaan (158/1 – 159, 164, 110/4 – 111, 114, 116-117) en zie ook H.R. Armstrong’s “The Grey Wolf Mustafa Kemal” (7).

[4] Hamad al-Jaasir, een Saoedische geograaf en historicus, zie zijn biografie bij Nizaar Abaadhah en zijn collega in “Itmam al-A’laam” (131 – 132).

[5] Inleding door Shaykh Hamad al-Jaasir voor het boek “Al-Barq Al-Yamaani fie al-Fatḥ al-‘Uthmaani“, geschreven door Qutb al-Din al-Nahrawali

[6] Mohammed Haamid al-Faqi: een Egyptenaar die tot Ahl al-Islaah behoorde. Zie zijn biografie in het tijdschrift “al-Hadyu al-Nabawi” editie Radjab en Sha’ban 1378 H, nummer (7 – 8), volume: 23 en de Ramadan editie 1378 H

[7] Mohammed Haamid al-Faqi, “Athar al-Da’wah al-Wahhaabiyyah fie Islaah al-Dini wa al-‘Umraan fī Djazirah al-‘Arab wa ghayrihaa” (22)

[8] De Ottomaanse sultan Selim Khan I: zie zijn biografie bij Abd al-Hayy al-‘Akri bekend als Ibn Al-‘Imaad, “Shadharat al-Dhahab” (198/10 – 200) en Muhammed al-Shalli “al-Sanaa` al-Baahir” (183 – 184)

[9] Muhammed Ibn Tulun “Mufaakahah al-Ghullaan” (339)

[10] Dezelfde bron (342) samengevat

[11] al-Saalihiyyah ten noordwesten van (Damascus). Zie: Yılmaz Öztuna, “Geschiedenis van het Ottomaanse Rijk” (812/2)

[12] De voorgaande bron 342, samengevat.

[13] Muḥammed b. Ali al-Shawkani “al-Badr al-Taali`” 1/185

[14] Muḥammed Shalli “al-Sanaa` al-Baahir” (183)

[15] Zie: Mar`i al-Karami al-Hanbali “Nuzhah al-Naadhirin fie Taarikh…” 173-174

[16] Muḥammed b. Iyyaas “Bada`i’ al-Zuhur fie Waqaa`i’ al-Duhur” 5/133-134

[17] Zie voormalige bron 5/146-147

[18] Al-Raydaaniyyah: dichtbij Cairo, hedendaags wordt het al-‘Abbaasiyyah genoemd als een verwijzing naar al-Khadyawi ‘Abbaas Pasha. Zie: ‘Ali Pasha Mubarak “al-Khutat al-Tawfiqiyyah” 2/64

[19] Sultan al-Ashraf Tuman Bey, de laatste Sultan van de Burji/Jaraakisah Mammelukken van Egypte. Kijk voor zijn biografie bij: Muḥammed Shalli “al-Sanaa` al-Baahir” 169-170

[20] Zie: Muḥammed b. Iyyaas “Badaa`i’ al-Zuhur” 5/139

[21] Zie: dezelfde bron (147/5 – 150).

[22] Zie: dezelfde bron (154/5).

[23] Zie: Muḥammed b. Iyyaas, “Badaa`i’ al-Zuhur ” (155/5 – 157).

[24] Zie voormalige bron 5/164

[25] Ahmad b. Zanbal al-Rammaal, “De Slag van Sultan al-Ghuri tegen Sultan Selim” (134), licht aangepast.

[26] Zie: Muḥammed b. Iyyaas, “Badaa`i’ al-Zuhur” (179/5).

[27] Zie: Clot Bey, “Een Blik op Egypte” (327).

[28] Zie: Muhammed b. Iyyaas, “Badaa`i’ al-Zuhur” (190/5). En Mar’i b. Yusuf al-Karami, “Nuzhat al-Naadhirin” (177)

[29] Toen de Ottomanen de Mammelukken in Egypte in 1517 versloegen, bezette Selim I Egypte en daardoor erfde hij het voogdijschap over de Hijaz, toen de laatste Mammelukken de sleutels van Mekka overhandigden. De Ottomanen lieten de Sharif-familie het gebied regeren, onder hun controle, zij beheersten de twee heilige steden en steden zoals Jeddah en de rest van de Hijaz. Dus de Ottomanen regeerden over Arabië, maar ze slaagden er niet in om hun controle uit te breiden naar het binnenland van Arabië, waar het gebied Najd zich bevindt. Madawi al-Rasheed schrijft: “De Ottomanen slaagden er echter niet in om hun controle uit te breiden naar het binnenland van Arabië, bekend als Najd. Zonder een formele Ottomaanse aanwezigheid, werden Najdi steden en oases geregeerd door hun eigen emirs, terwijl tribale confederaties hun onafhankelijkheid en autonomie behielden.” David Commins schrijft: “Najd’s isolatie gold ook in de politieke sfeer, aangezien geen van de grote islamitische landrijken het sinds de verzwakking van het Abbasidische kalifaat in de tiende eeuw had geregeerd. Het Ottomaanse Rijk op zijn hoogtepunt in de zestiende eeuw omringde de regio aan twee kanten, waarbij het zijn gezag uitoefende als twee armen, één langs de Rode Zeekust naar Jemen om de Heilige Steden te beveiligen en een andere langs de Perzische Golf om te waken tegen Portugese indringers en om Perzische vooruitgang in Irak en aan de westelijke Arabische kust van de Golf af te weren. De Ottomanen zagen geen reden om Najd binnen te vallen en te onderwerpen – het miste waardevolle economische middelen, het vormde geen strategische bedreiging en het bood de sultan geen prestige.” Zie: https://www.sahieh.nl/2020/10/22/answering-the-doubts-of-the-new-yasir-qadhi-part-2-najd-before-the-advent-of-the-dawah-of-sh-muhammed-ibn-abd-al-wahhab/

[30] Zie: Muḥammed al-Shalli “al-Sanaa` al-Baahir” (338-339)

[31] Zie: Ali b. Laali Baali, bekend als Minq “al-‘Aqd al-Mandhum” in de vermelding van de deugden van de Rum (530) en Muhammad al-Shalli ‘Al-Sanaa` al-Baahir‘ (308). (3) Sulaymaan de Grootse: regeerde in de periode 926 – 974 / 1520 – 1566). Zie zijn biografie bij: Abd al-Hayy al-‘Akri, bekend als Ibn al-‘Imaad ‘Shadharaat al-Dhahab‘ (549/10 – 551).

[32] Sulaymaan de Grootse: regeerde in de periode 926 – 974 / 1520 – 1566). Zie zijn biografie bij: Abd al Hayy al-‘Akri, bekend als Ibn al-‘Imaad ‘Shadharaat al-Dhahab‘ (549/10 – 551).

[33] Zie: Muhammed al-Shalli ‘al-Sanaa` al-Baahir‘ (308). En Yusuf al-Malwaani ‘Tuhfah al-Ahbaab‘ (116). En ‘Abbaas al-‘Azzaawi ‘Geschiedenis van Irak tussen de twee bezettingen‘ (4/30 – 37) en Abd al-‘Aziz al-Shanaawi ‘Het Ottomaanse rijk, een onterecht beschuldigde islamitische staat‘ (1/25).

[34] Zie: Muḥammed Baa Faqīh “Taarikh al-Shihr” 253-254, en Muḥammed al-Shalli “al-Sanaa` al-Baahir” (338)

[35] Qansuh Al-Ghuri, de Egyptische Mammelukken-amir die de Ottomaanse Turkse invasie weerstond en werd gedood in Marj Dabiq, waarna het Mammelukkenrijk in de Arabische landen eindigde. Zie zijn biografie bij Muhammed al-Shalli, “al-Sanaa’ al-Baahir” (146 – 148).

[36] Muḥammed b. Iyyaas, “ Badaa`i’ al-Zuhur ” (435/4 – 436) (453, 471). En Muhammed al-Shalli, “Al-Sanaa’ al-Baahir“, (10).

[37] Al-Shihr: Een van de grootste steden aan de kust van Hadramawt. Zie: Ibraahim Ahmad al-Maqhafi, “al-Bildaan wa al-Qabaa’il al-Yamaniyyah” (852/1).

[38] Zie: Abd al-Qaadir al-‘Aydrus, “al-Nur al-Saafir” (144, 280), en Muhammed al-Shalli, “al-Sanaa’ al-Baahir” (309).

[39] Zie: Muḥammed Baa Faqīh “Taarikh al-Shihr” 253-254, en Muḥammed al-Shalli “al-Sanaa` al-Baahir” (338)

[40] Zie: Jacqueline Perrin, “De ontdekking van het Arabische schiereiland, Vijf eeuwen avontuur en wetenschap

[41] Zie zijn biografie bij Ahmad Zayni Dahlaan, “Khulaasah al-Kalaam” (128 – 131).

[42] Abu al-Dawa`ir een haven dicht bij Djeddah vanuit het Zuiden. Zie: ‘Aatiq al-Balaadiy “Mu`djam Ma’aalim al-Hidjaaz (626).

[43] Zie: Ahmad Zayni Dahlaan, “Khulaasah al-Kalaam” (127 – 128).

[44] Zie: Muḥammed Aal ‘Abd al-Qaadir “al-Nur al-Saafir” (144) en Muḥammed al-Shalli “al-Sanaa` al-Baahir” (10, 309, 338-339), Muḥammed b. ‘Umar Baa Faqīh “Taarikh al-Shihr” (253-254), n J.G. Lorimer, “Gids van de Golf, Historisch Deel” (13 – 15/1).

[45] Zie: Mohammed Aal Abd al-Qaadir, “Tuhfah al-Mustafid bi Taarikh al-Ihsaa` al-Qadim wa al-Djadid” (212/1).

[46] Daarna volgde de Turkse bezetting van Tunesië, vervolgens Libië en Algerije, en zij slaagden er niet in om Marokko helemaal te bezetten. Ik heb dit hier in deze voetnoot vermeld omdat de discussie over deze gebeurtenissen in Noord-Afrika buiten de reikwijdte van dit onderzoek valt en ze niet gerelateerd zijn aan de regio Najd.”

[47] Hussein Mu’annas, “al-Sharq al-Islaami fie al-‘Asr al-Hadith” (32 – 33).

[48] Zie zijn biografie in: het Egyptische tijdschrift Al-Fath, 25 Rabi’ al-Aakhir 1346 H (7). En Khayruddin al-Zarkali, “al-A’laam” (37/4 – 38). En Saalih aal ‘Uthaymin, “Tashil al-Saabilah” (3/1784 – 1781).”

 

Geef een reactie

Your email address will not be published.

*