De Boeken drainage naar Europa: Westerse hebzucht en imperialisme

in Geschiedenis door
Leestijd: 6 minuten

Verborgen in de spelonken van de geschiedenis, onder de sluier van een tijdperk waarin de Arabisch-Islamitische literaire traditie in volle bloei stond, ligt een duistere historie van culturele roof en intellectueel verval. Dit verhaal begint in de zevende en achtste eeuw, en groeide uit tot een tijdperk welke een ongekende diversiteit aan kennis voortbracht, van religieuze geschriften tot diepzinnige filosofie. Maar deze schat, die de overblijfselen van de klassieke Griekse en Latijnse literatuur ver in de schaduw stelde, werd het doelwit van westerse hebzucht en imperialisme. Als een onheilspellende storm, raasde het Westen met zijn imperialistische honger over deze schat aan kennis, wat leidde tot een onherstelbaar verlies van Arabisch-Islamitische intellectuele rijkdom.

De invloed van het Westen op deze literaire teloorgang is haast niet te bevatten. De Arabische taal, vrijwel onveranderd sinds de 7e eeuw, had de potentie om generaties en geografische grenzen te overbruggen, functionerend als een schakel in een keten van eindeloze kennis. De Arabische literatuur is een bevaarbare oceaan van kennis, ongerept door de tijd, en staat in schril contrast met de Europese talen. Waar een hedendaagse Engelsman zou worstelen met de taal van slechts enkele eeuwen terug, waardoor hij dus geen directe toegang heeft tot zijn literaire erfgoed,  kan de Arabisch sprekende van de 21e eeuw terugkeren naar literatuur van de 7e eeuw. 

Maar de koloniale en imperialistische hebzucht van het Westen heeft geprobeerd deze brug te vernietigen, door systematisch cultureel en intellectueel erfgoed te annexeren van plaatsen als Bagdad, Cairo en Damascus, ooit bakermatten van intellectuele verlichting, onder het mom van ‘bescherming’ en ‘behoud’. Dit verhaal is een getuigenis van verwoesting en onrecht, een culturele tragedie die blijft resoneren in de kronieken van de geschiedenis.

Manuscripten roof: oriëntalisten als kapers van cultureel erfgoed

In de schemerige nadagen van de 18e eeuw, te midden van de echo’s van Napoleon’s marcherende legers, ontvouwde zich een scenario dat leek op een intellectuele roofoverval op klaarlichte dag. Oriëntalisten, meegesleept in de wervelwind van de Franse invasie van Egypte in 1798, ontpopten zich als de raven van cultureel erfgoed, duikend op Arabische manuscripten met een honger die de grenzen van ethiek en moraal tartte. Deze boekpiraten, meestal in dubieuze harmonie met koloniale heersers, maakten het tot hun persoonlijke queeste om fortuinen te bouwen op de ruggen van een rijke literaire traditie.

In dit surrealistische panorama van culturele plundering betrad Ulrich Jasper Seetzen, een Duitse arts en een hobbyist in de Oriëntalistiek, in 1807 het toneel van Caïro. Zijn missie? Om een ongebreidelde verzameling van Arabische manuscripten bijeen te graaien, een opdracht van zijn beschermheer, Prins August van het Duitse vorstendom Gotha.

Ulrich Jasper Seetzen

Maar, oh de ironie, Seetzen vond zijn pad reeds bezaaid met de nasleep van de Franse hebzucht. Manuscripten, waaronder onschatbare perkamentfragmenten uit de centrale moskee van oud Caïro (Fustat), die behoren tot de vroegst bekende exemplaren van de Qurʾān, die eens deel uitmaakten van de rijke bibliotheken van Caïro waren nu meedogenloos weggerukt door de handen van Jean-Joseph Marcel en zijn cohorten. 

Wandelend door de grote hallen van de centrale moskee van Fustat, stuitte de Duitse Oriëntalist Seetzen op de overblijfselen van een antieke Qurʾān-codex, waarvan Jean-Joseph Marcel al een aanzienlijk deel had geroofd voor zijn “kleine Oosterse museum“.

Onbekende heldinnen van de Islām

Met de ogen van een roofdier herkende hij onmiddellijk hun antieke waarde en probeerde hij de vrouwelijke beheerders van de moskee om te kopen, in een schaamteloze poging om de fragmenten te ontvreemden. Toen zij weigerden, met het rechtvaardige argument dat de fragmenten deel uitmaakten van het religieuze erfgoed van de moskee, wuifde hij hun bezwaren weg als religieus fanatisme. Toch lijkt het erop dat hij erin slaagde een dozijn bladeren van deze oude Qur’an te bemachtigen, die hij met haast naar Duitsland stuurde.

Schenkingsinscriptie in Parijse Koranfragment (Bibliothèque nationale de France, MS Arabe 351, fol. 230r). De tekst in de marge luidt: “Een schenking geplaatst in de oude moskee [van oud Caïro] om voor altijd heilig te zijn. Niemand mag het uitlenen, vervangen door een andere kopie, verkopen, schenken of erven totdat God de aarde en haar mensen erft.” Bibliothèque nationale de France.

In het hart van de Bibliothèque nationale, gevoed door de ijver van Charles-Henri-Auguste Schefer (1820–98), ontluikt een verhaal dat de schijnbare elegantie van de academische wereld wegvaagt met de brute realiteit van culturele toe-eigening. Schefer, een pion in de Franse diplomatieke dienst, zwierf tussen 1843 en 1857 door het Midden-Oosten, waarbij hij, als een intellectuele struikrover, meer dan 800 manuscripten in het Arabisch, Perzisch en Turks vergaarde. Ongeveer 250 van deze Arabische manuscripten vonden hun weg naar de Bibliothèque nationale, waaronder enkele van de meest adembenemende geïllustreerde Arabische werken, zoals een kopie van de twaalfde-eeuwse ‘Maqāmāt‘ van al-Ḥarīrī.

De Britse koloniale echo in Islamitisch India

Deze grootschalige confiscatie van manuscripten door Franse troepen in Egypte vond zijn echo in de Britse plundering van de keizerlijke Mughal-bibliotheek in India in 1858. De meer dan 2.900 manuscripten van deze bibliotheek, inclusief 200 unieke werken, werden toegevoegd aan de India Office Library (nu onderdeel van de British Library). Dit verhaal, illustreert niet alleen de honger naar kennis van het Westen, maar ook de meedogenloze wijze waarop deze kennis werd verworven – een saga van intellectuele verrijking aan de ene kant en culturele uitbuiting aan de andere. De sporen van deze historische invasie staan symbool voor een tijdperk waarin de grenzen tussen academische nieuwsgierigheid en koloniale hebzucht vervagen, resulterend in een paradox van verlichting en verduistering.

In de schaduwen van formeel onafhankelijke moslimlanden, wierpen Europese consuls zich op als een hybride van politieke en economische zwaargewichten, terwijl ze tegelijkertijd een nevenrol speelden als culturele plunderaars van Arabische manuscripten. Gedreven door een mengeling van persoonlijke passie en de academische scholing als oriëntalisten, buitten zij hun invloed schaamteloos uit om deze manuscripten op te kopen. Dit was niet enkel een intellectuele exercitie; het was ook een financiële onderneming, waarbij de manuscripten met winst werden doorverkocht aan de schijnbaar onverzadigbare bibliotheken van Europa.

Een oriëntalistische coup in de Damascus

Legio voorbeelden van deze ongeëvenaarde massaberoving kunnen nog benoemd worden, maar laat ik afsluiten met nog één voorbeeld, die van de Duitse oriëntalist Johann Gottfried Wetzstein, een figuur die zowel in geleerdheid als in sluwheid uitblonk. Met een achtergrond in protestantse theologie en Semitische talen, nam Wetzstein de positie van Pruisisch consul in Damascus in, van 1849 tot 1861. Gedurende deze periode transformeerde hij zichzelf in een ware cultuurjager, die meer dan 2500 manuscripten verzamelde, variërend van unieke exemplaren van anders verloren gegane werken tot vroege fragmenten van de Qurʾān. Zijn meest gewaagde misdaad? Het regelen van de verkoop van een complete bibliotheek van de Damascene Rifāʿī-familie aan zijn alma mater in Leipzig. Dit was een ware coup, waarbij hij op het nippertje een andere bieder, een agent van de oriëntalist Theodore Preston, te slim af was.

Deze verhalen illustreren een patroon van intellectuele hebzucht en culturele onteigening, waarbij de Europese consuls niet alleen macht uitoefenden, maar ook een schokkende nalatenschap van culturele expropriatie achterlieten. Hun acties waren een symbiose van persoonlijke verrijking en academische exploitatie, waarbij de rijke geschiedenis van de Arabische wereld werd getransformeerd tot niets meer dan een handelswaar voor Westerse bibliotheken.

Deze gebeurtenissen zijn er slechts een paar uit duizenden en zij duiden op een onthutsend verhaal welke getuigt van een grenzeloze arrogantie en een koloniale hebzucht, waarbij heilige teksten werden gereduceerd tot trofeeën voor westerse verzamelaars. Deze daad, een weerspiegeling van de imperialistische mentaliteit, legt bloot hoe diep de wortels van cultureel vandalisme en religieuze onverschilligheid in de Westerse cultuur zijn verankerd.

El Shamsy schreef in zijn prachtige werk ‘Rediscovering the Islamic Classics’:

De tienduizenden Arabische manuscripten die in de negentiende eeuw uit de islamitische wereld stroomden, hebben een aanzienlijke invloed gehad op de Arabische schriftelijke traditie. De Hongaarse oriëntalist Ignaz Goldziher (1850-1921) merkte in 1874 op, na zijn terugkeer naar Europa van een langdurig verblijf in het Midden-Oosten:

“Echt waardevolle en nuttige manuscripten worden steeds zeldzamer op de Arabische boekenmarkten omdat Europese bibliofielen ze geleidelijk naar de enorme collecties van Europa hebben overgebracht. Daarom moeten we voor de manuscripten van wetenschappelijk belang – tenminste de Arabische – kijken in het British Museum of het Indian Office in Londen, in de Bodleian in Oxford, in de Refaiya in Leipzig, in het Legatum Warnerianum in Leiden, of in de Sprenger-Wetzstein- en Petermann-collecties in Berlijn, in plaats van waar ze oorspronkelijk vandaan kwamen. De energie van de Europese kennisdrang, gekoppeld aan financiële opoffering, heeft de oudste en belangrijkste bronnen van Arabische filologie en islamitische godsdienstwetenschap uit hun oorspronkelijke thuisland weggevaagd naar [Europa] waar deze studies in de laatste decennia een nieuw thuis hebben gevonden.”

Abu Hudayfa Musa ibn Yusuf

Gebaseerd op El Shamsy’s werk ‘Rediscovering the Islamic Classics

Geef een reactie

Your email address will not be published.

*