Het verhaal vd Ashāʿirah – deel 1: Verspreiding van de Madhhab || al-Bāqilānī

in Aqidah - Geloofsleer/Geschiedenis door
Leestijd: 5 minuten

De Ash’ari geleerde en geschiedkundige Ibn ʿAsākir beschreef in zijn geschiedenis deze fase als volgt: “De Ḥanābilah en de Ashāʿirah waren vroeger eensgezind en niet verdeeld, totdat de fitnah (onrust/calamiteit) van Ibn Al-Qushayrī ontstond.1Eensgezind in de zin van dat er geen noemenswaardige onrust bestond tussen hen, omdat zij zich stil hielden en hun ‘Aqidah niet manifesteerden. Het betekent niet dat zij eensgezind waren qua geloofsovertuiging. Aangezien de Salaf elke afwijking aan de zuivere ‘Aqidah van Ahl al Sunnah afwezen. Tevens bestond er nog niet zoiets als een aparte Ash’ari Aqidah, deze werd later pas ontwikkeld, zoals zal blijken

Deze fitnah vond plaats in het jaar 469, zoals we gedetailleerd uiteen zullen zetten. De werkelijkheid is dat de hardvochtigheid eerder begon, maar de fitnah van Ibn al-Qushayrī was wat het conflict en de haat tussen hen ontvlamde.

De Madhhab (leerschool) verschoof van een inactieve verzoenende fase naar een verspreidende en onverholen fase, vanaf de verschijning van twee werken:

1: ‘Risālah al-Ḥurrah’ van al-Bāqilānī

2: ‘Maqālāt al-Ashʿarī’ (de uitspraken van al-Ashʿarī) van Ibn Fawrak.

Sinds die tijd begonnen de wortels van het conflict tussen de Ashāʿirah en de Ḥanābilah zich te manifesteren en dit is zo doorgegaan tot aan deze tijd. Kenmerkend voor beide boeken is dat ze voor de eerste keer (in de Islamitische geschiedenis) de fundamenten van de Madhhab (leerschool) presenteerden en openlijk hun geloofsovertuigingen kenbaar maakten.

Al-Bāqilānī was een rechter die een hoog aanzien genoot bij de mensen met specialisatie in religieuze groepen. Hij had grote bekendheid verworven onder de moslims vanwege het debatteren met alle afwijkende sekten, van de Shīʿah, de Nuṣayriyyah, de Bātiniyyah, alsook met de Christenen, de Madjūsiyyah (Zoroastriërs), en de Thanwiyyah (Dualisten). Over het algemeen gezien verdedigde hij dus de Islām tegenover de andere religies, en hij was een goede welbespraakte debater. Er vonden enkele debatten plaats met de Christenen en de Rāfiḍah, waardoor hij een grote bekendheid vergaarde en een centraal figuur werd waar de mensen over spraken in de Islamitische landen. Hierdoor werd hij beroemd en kreeg hij verschillende hoogstaande titels toegekend, zoals “Zwaard van de Sunnah” en “Tong van de Ummah“.

Echter dienen we te weten dat, hoewel hij de Islam verdedigde tegen de andere religies, probeerde hij ook de Ashʿarī Aqīdah te verbeteren en te verfijnen, en legde hij de basis voor stelregels van al-Kalām (speculatieve theologie) die later het fundament vormden voor de ʿIlm al-Kalām van de Ashāʿirah.

Wanneer we dit zeggen, dan doen we dat vanuit een advies aan de moslims, zodat mensen niet misleid worden door zijn afgrijselijke uitspraken over de Qurʾān, en de Kalām van Allāh. We moeten niet emotioneel beïnvloed worden door het feit dat hij de Godsdienst van Allāh verdedigde tegenover sommige ongelovigen, want hij verrichtte een beetje goed, maar veel kwaad. Dit boek van ons is gekomen om het slechte aan te stippen, niet om hetgeen hij goed gedaan heeft te prijzen. We dienen hierbij niet de woede te vrezen van de mensen tegen ons, want we wensen met dit boek enkel (de Tevredenheid van) Allāh, en we wijken hierbij niet af naar de tevredenheid van wie dan ook van Zijn schepselen. Vaak genoeg hebben mannen de waarheid verzwegen uit angst voor de negatieve reacties van de mensen, waardoor veel recht en kennis verloren ging.

Al-Bāqilānī zelf vermeld als reden voor het schrijven van zijn ‘Risālah al-Ḥurrah’, dat hij de vraag van een vooraanstaande vrouw wilde beantwoorden. Echter, de authenticiteit van dit verhaal roept bij mij twijfels op. Het lijkt aannemelijker dat al-Bāqilānī, na een toename in zijn aanzien en bekendheid bij de heersende elite, ervoor koos om zijn religieuze overtuigingen en de basisprincipes van zijn ʿAqīdah openbaar te maken. Het lijkt erop dat hij ervoor koos dit werk te presenteren als een reactie op een vraag, wellicht om de schijn te vermijden dat hij bezig was met het introduceren van een nieuwe Madhhab (leerschool).

Wat hij onder andere expliciet in het boek verklaarde was zijn mening over de Kalām van Allāh. Dit standpunt werd eerder al verhaald van al-Karābīsī en de volgelingen van Ibn Kullāb, vervolgens verwaterde het, waarna al-Bāqilānī er nieuw leven inblies. Shaykh al-Islam Ibn Taymiyyah leverde over betreffende Shaykh Abū al-Ḥasan al-Karkhī in zijn boek ‘al-Fuṣūl fī al-Uṣūl ʿan al-Aʾimmah al-Fuḥūl…l’:

“Ik hoorde mijn Shaykh, de Imām Abū Manṣūr, de Jurist, al-Aṣbahānī zeggen: ‘Ik hoorde onze Shaykh, de Imam Abū Bakr al-Zādhaqānī zeggen: ‘Ik was bij een les van Shaykh Abū Ḥāmid al-Isfarāyīnī, en hij verbood zijn studenten zich te bezigen met al-Kalām en om naar al-Bāqilānī te gaan. Toen hij hoorde dat sommigen van hen stiekem naar hem toe gingen om Kalām te bestuderen, dacht hij dat ik ook een van hen was. Hij vertelde toen een verhaal en zei aan het einde: “Shaykh Abū Ḥāmid zei tegen mij: ‘O mijn zoon, ik hoorde dat je naar deze man gaat – en hij bedoelde al-Bāqilānī – Pas op voor hem! Want hij is een innovator die de mensen uitnodigt naar dwaling. En anders hoef je niet meer naar mijn les te komen.

Ik zei: ‘Ik zoek toevlucht bij Allāh tegen wat er gezegd wordt, en ik keer mij berouwvol tot Hem, wees getuige over mij dat ik niet naar hem toe zal gaan.

Hij zei: ‘Ik hoorde de jurist de Imam Abū Manṣūr Saʿd b. ʿAlī al-ʿAjlī zeggen: ‘Ik hoorde verschillende Shaykh’s en imams in Bagdad zeggen, en ik denk dat Shaykh Abū Isḥāq al-Shīrāzī een van hen was: ‘Abū Bakr al-Bāqilānī ging bedekt met een sluiter naar de stoombaden, uit angst voor Shaykh Abū Ḥāmid al-Isfarāyīnī.[1]

Abū al-Ḥasan zei: “De Shāfiʿī imams hebben het altijd afgewezen om geassocieerd te worden met al-Ashʿarī en distantieerden zich van hetgeen waar al-Ashʿarī zijn Madhhab op had gebaseerd. Ze waarschuwden hun studenten en geliefden om weg te blijven van hem, zoals ik heb gehoord van verschillende Shaykh’s en imams, waaronder de betrouwbare Ḥāfiḍḥ al-Muʾtamin b. Aḥmad b. ʿAlī al-Sādjī. Ze zeiden: ‘We hebben van een groep betrouwbare Shaykh ’s gehoord dat Shaykh Abū Ḥāmid Aḥmad b. Ṭāhir al-Isfarāyīnī, de imam van de imams die bekend stond om zijn kennis en studenten, op weg was naar het vrijdaggebed vanaf Qaṭī’ah al-Karkh naar de Manṣūr-moskee. Hij liep door de bekende tuinen bij al-Rawzī naast de moskee. Daar richtte hij zich tot de aanwezigen en zei: ‘Getuig dat ik zeg dat de Qurʾān de Kalām is van Allāh, ongeschapen, zoals Aḥmad b. Ḥanbal zei, en niet zoals al-Bāqilānī zegt.‘ Dit herhaalde hij in meerdere bijeenkomsten. Toen hij hierover werd gevraagd, zei hij: ‘Zodat dit zich verspreidt onder de mensen en de rechtschapenen, zodat het nieuws zich verspreidt in de landen dat ik vrij ben aan hetgeen waar zij zich op bevinden, namelijk het volgen van al-Ashʿarī; en ik ben vrij van de Madhhab van Abū Bakr al-Bāqilānī. Want er is een groep vreemde juristen die stiekem al-Bāqilānī bezoeken, van hem leren en beproefd worden door zijn Madhhab. Wanneer ze dan terugkeren naar hun landen, zullen ze ongetwijfeld hun innovaties manifesteren, waardoor sommigen zullen gaan denken dat ze dat van mij hebben geleerd en dat ik dat heb gezegd, terwijl ik vrij ben van de Madhhab van al-Bāqilānī en zijn ʿAqīdah.

En zijn uitspraak ‘terwijl ik vrij ben van de Madhhab van al-Bāqilānī en zijn ʿAqīdah.‘ wijst erop dat de genoemde Madhhab in het boek niet gekend was vóór al-Bāqilānī. Dit ondersteunt onze bewering dat de eerste fase een fase van inactiviteit en vergetelheid was waarin de Madhhab niet bekend was. Daarom is het vermoeden bij mij dat al-Bāqilānī de eerste was die openlijk de werkelijkheid van de Ashʿarī Madhhab manifesteerde en het nieuw leven inblies, waardoor hij terecht de held van de tweede fase is.

Vertaling: Abu Hudayfa Musa ibn Yusuf
Bron: Qiṣṣah al-Ashāʿirah 524-526, Dr.ʿAmmār Khanfar

[1] al-Fatāwā al-Kubrā 6/600

 

Geef een reactie

Your email address will not be published.

*