Gezamenlijk Quraan reciteren met één stem? Wetenschappelijke kijk op el-Yousfi’s artikel

in Fiqh door
Leestijd: 14 minuten

Vandaag kwam er een artikel onder mijn ogen genaamd ‘Gezamenlijk reciteren?’ van broeder el-Yousfi die helaas de laatste jaren in Nederland zich lijkt in te zetten voor het laten heropleven van al-Bid’ah (innovatie), Taqlid al-A’maa (blindvolgerij) en Ta’assub (fanatisme). In het artikel wil hij – helaas – een uitgestorven praktijk in Nederland opnieuw leven in blazen, in dit geval gaat het om het gezamenlijk reciteren van de Qur’an met één stem.  Een van de standaard trucjes uit de trucendoos van Ahl al-Ahwaa (volgers van begeerten) is proberen elke kwestie onder meningsverschil te plaatsen, zodat men op die manier elke vorm van kritiek kan wegwuiven als extremistisch, of als het niet respecteren van meningsverschillen, of het niet volgen van de Wetschool.

Laten we het artikel langslopen op inhoud, om te kijken wat nu uiteindelijk de bewijzen zijn uit de Quran en de Sunnah en de Weg van de Selef al-Salih (de vrome voorgangers) voor deze handeling. Dan kan de student van kennis en de ware zoeker naar kennis zelf zien hoeveel gewicht er nou eigenlijk achter Yousfi’s artikel zit – moge Allaah hem rechtzetten:

El-Yousfi en de post-klassieke vroegmoderne Maliki Shaykh al-Shawshāwī

El-Yousfi schrijft:

Hier zien wij dat een post-klassieke geleerde – al-Shawshāwī1De Shaykh heet al-Shawshāwī en niet Shoshawi. Dat is de spelling als men chatgpt gebruikt. De bron die El-Yousfi heeft gebruikt voor zijn artikel is van de marokkaanse overheid’s website: https://www.habous.gov.ma/map-mosquee/223-2012-05-03-18-49-59.html?start=70. Daar zien we PRECIES de opbouw en argumenten die el-Yousfi gebruikt in zijn artikel. Vermoedelijk heeft hij dus dat artikel vertaald via chatgpt, dit is ook te merken aan de vertaling van andere benamingen zoals Mahrez al-Tunisi ipv al-Tunsi, en de titels van de werken die typisch vertaald zijn door geautomatiseerde vertalingen, vandaar dat we ineens van el-Yousfi’s hand dit soort lange artikelen zien verschijnen, wa Allaahu A’lam – uit de 15e eeuw (9e eeuw Hidjra) volgens el-Yousfi aangeeft dat: ‘Imam Abu Muhammad Mahrez ibn Khalaf al-Tunisi (g. 413 H) identificeren als de pionier van de gezamenlijke Koranrecitatie in Ifriqiyah (het huidige Tunesië).‘.

Tayyib, dus het “bewijs” is een handeling van een Shaykh uit de 5e eeuw van de Hidjrah, 2 generaties ná de Selef al-Salih

Vervolgens zegt onze neerlandse mudjtahid el-Yousfi – moge Allaah hem rechtzetten – het volgende:
Al-Allamah Shoshawi (g. 899 H) bevestigt dit en voegt toe dat Imam al-Mazari (g. 536 H) het gezamenlijk reciteren als toegestaan beschouwde. Een ander standpunt, geuit door Abu Taher al-Fasi, benadrukt dat deze praktijk niet alleen toegestaan, maar zelfs aanbevolen.

Dus vooralsnog heeft el-Yousfi géén bewijs uit de Sharie’ah gegeven voor deze handeling van aanbidding, maar hij quoteert enkel een post-klassieke geleerde uit de 15e eeuw. Laten we nu eens terugkeren naar de bron van deze geleerde uit deze vroegmoderne tijd.

Als wij gaan lezen zien wij dat el-Yousfi – moge Allaah hem rechtzetten – nogal wat zaken heeft weggelaten (zoals gewoonlijk) uit de bron van Shawshāwī, hij noemt namelijk 5 opinies over deze kwestie bij blz 237. Laten wij deze 5 opinies langslopen en wetenschappelijk bekijken:

De eerste opinie die Shawshāwī noemt is:

1: al-Djawāz (toelaatbaar): Dit wordt gezegd door al-Imaam al-Māzarī (453) – radhiya Allaahu ‘anhu – zijn bewijs is dat dit bevestigd is van de Metgezellen – radhiya Allaahu ‘anhum – dat zij bijeenkwamen voor het reciteren van een surah met één stem. (131)

Yousfi laat vervolgens een belangrijke voetnoot weg, ik ben namelijk teruggekeerd naar dezelfde bron als die el-Yousfi heeft gebruikt en kwam daar de volgende belangrijke opmerking tegen van de muhaqqiq:

131Ik ben deze athar (overlevering) niet tegengekomen, en de schrijver heeft het nagelaten zoals zijn gewoonte is om de keten van overleveraars te vernoemen. De bron vermeldt hij (ook) niet waar hij het van overlevert, daarom zijn wij niet instaat om het niveau van authenticiteit te verduidelijken.

Kortom, wat overblijft is een gebrek aan bewijs voor deze uitspraak, en derhalve kunnen we hierop geen ‘ibaadah (aanbidding) gaan baseren, aangezien het aanbidden van Allaah tawqifiyyah is. Ook geeft de muhaqqiq iets belangrijks aan, namelijk dat het de gewoonte is van de post-moderne Maliki Shaykh al-Shawsawi om bronnen niet te vernoemen. Dit zien wij overigens veelvuldig terug bij post-moderne wetschool geleerden, ook bij de andere wetscholen. Daarom zijn de Selefie geleerden zulke gezegende geleerden die zaken onderzoeken, aanvullen, verbeteren, en terugkeren naar de originele bronnen. Moge Allaah hun werken zegenen en hen soort vermeerderen in de Ummah.

Vervolgens gaat al-Shawshāwī verder:

Graftombe van Sidi Mahraz al-Tunsi in Tunesië waar hij tot aan de dag van vandaag bezocht en aanbeden wordt naast Allaah

2: al-Istiḥbāb (aanbevolen): dit is wat Abū al-Ṭāhir al-Fāsī zegt in een schrijfwerk van hem, hij zei dat de eerste die dit heeft ingevoerd als een weg om te volgen in Afrika Maḥraz al-Tūnsī was.  

Het “bewijs” hier is dus de uitspraak van ene Abū al-Ṭāhir al-Fāsī (Allaahu A’lam wie dit is) uit een niet genoemd schrijfwerk, dat Maḥraz al-Tūnsī dit zou hebben ingevoerd als een sunnah. Zoals bekend is voor élke beginnende student van de kennis kan een Sunnah enkel ingesteld worden door de Profeet Muḥammed ﷺ en kunnen handelingen enkel beoordeeld worden met al-Istiḥbāb als hiervoor een bewijs bestaat uit de Openbaring. Wat we nu enkel hebben is een vage uitspraak uit een vage bron dat een Sufi Shaykh deze gewoonte had ingevoerd in Afrika. Hoe kunnen wij moslims onze godsdienst hierop gaan baseren? Wa laa hawlaa wa laa qoewwatah illaa billaah.

Vervolgens gaat Shawshāwī verder en noemt een derde mening:

3: “al-Kirāhah (afkeurenswaardig), zoals vermeld door (al-Imām) Mālik in al-Nawādir en al-‘Utbiyyah .

Al-Nawādir en al-‘Utbiyyah verwijst naar twee bekende Māliki Fiqh werken, geschreven door de twee geleerden van de Selef, respectievelijk Ibn Abī Zayd al-Qayrawānī (386H) en Abu ‘Abdillāh Muḥammed b. Aḥmad al-‘Utbī (255H). Zo wordt er in al-‘Utbiyyah vermeld: ‘Mālik werd gevraagd over het reciteren in de masdjid – dat wil zeggen op een specifieke manier zoals de Hizb lezen en dergelijke – en hij zei: “Het was geen handeling van vroeger, maar iets wat later is geïntroduceerd, en de latere generatie van de ummah zal niet met een betere leiding komen dan waar de eerste generatie op was.“‘

En zoals ook is overgeleverd in al-‘Utbiyyah van Ibn al-Qāsim (191H) de student van al-Imām Mālik die hem twintig jaar vergezelde: ‘Al-Imām Mālik sprak over mensen die gezamenlijk samenkomen in één vorm, zoals de mensen van Alexandrië doen, en hij vond dat afkeurenswaardig en ontkende dat het een praktijk van de mensen (van Medinah) was.”

Hier zien we dus dat de Selef, waaronder zijn directe studenten, overleverden dat al-Imām Mālik het afkeurde, simpelweg vanwege het feit dat hij hiervoor geen enkel bewijs kende noch dat Ahl al-Medinah dit deden, wat voldoende zou moeten zijn voor elke oprechte volger van de Sunnah en de Selef al-Salih.

Vervolgens gaat al-Shawshāwī verder en noemt een vierde mening:

4: Al-Man’ (verbod) en dat is wat Ibn Sha’bān zei en hij zei dat degenen die het regelmatig doen, dat dit als een gebrek wordt beschouwd in (de betrouwbaarheid van) hun getuigenis en in hun rol als imaam. Omdat het inhoudt dat de letters worden opgesplitst en de stem (zangerig) wordt gebruikt. Maar bekijk dit dan met de aanwezigheid van de authentieke hadith, waarin wordt vermeld dat de metgezellen – radhiya Allaahu ‘anhum – samenkwamen om één surah te reciteren met één stem.”

Een verbod wordt overgeleverd van Ibn Sha’bān (355H), en hij was de hoogste Shaykh van de Mālikī madhhab in Egypte in de tijd vlak na de Selef, zoals o.a. vermeld word door Qadi ‘Iyyaadh en hij was de laatste hoofdgeleerde waar de Madhhab op eindigde in Egypte. Hier zijn wij dus een vroegere Maliki geleerde die het verbood en zelfs deze daad beschouwde als een Djarh (kritiek) op iemands betrouwbaarheid en rol als imaam. 

Een ander belangrijk profijt wat wij uit deze tekst halen is dat al-Shawshāwī – terecht – zegt ‘Maar bekijk dit dat met de aanwezigheid van de authentieke hadith, waarin wordt vermeld dat de metgezellen – radhiya Allaahu ‘anhum – samenkwamen om één surah te reciteren met één stem.‘ Hij geeft dus terecht voorrang op een hadith sahih wanneer dit indruist tegen de uitspraak van een geleerde, ook al is het een hoofdgeleerde en grote imaam van de Maliki madhhab. Het probleem is alleen dat deze hadith niet vermeld wordt zoals we zonet eerder hebben gezien. Dus de methodiek van al-Shawshāwī in het voorrang geven aan een sahih hadith op een uitspraak van een Shaykh is correct, alleen is deze hadith er niet. Zou el-Yousfi maar een sprankeltje van deze Ittibaa’ hebben die al-Shawshawi hier laat zien van het volgen van de hadith als deze sahih is…

Vervolgens noemt al-Shawshāwī nog een vijfde opinie:

5: Toegestaan op een verlaten plek waar weinig mensen zijn.

Kortom, we kunnen dus het volgende samenvatten van wat de vroegmoderne Maliki geleerde al-Shawshāwī heeft uiteengezet:

1: De mening dat het toelaatbaar isgebaseerd op een hadith die ontbreekt, dus ontbreekt het bewijs

2: De mening dat het aanbevolen isvermoedelijk gebaseerd op de handeling van Sidi Mahraz in de 5e eeuw, en de handelingen van mensen zijn geen bewijs voor ‘Ibaadah.

3: De mening dat het afkeurenswaardig isgebaseerd op het standpunt van al-Imaam Maalik en de handelingen van Ahl al-Medinah, en de directe studenten van al-Imaam Maalik, m.a.w. de Selef.

4: De mening dat het verboden isgebaseerd op het standpunt van leider van de Maliki’s in de 4e eeuw, m.a.w. de generatie direct na de Selef. 

Er blijft dus maar weinig over aan bewijskracht en steekhoudende argumentatie voor het toestaan van deze geinnoveerde handeling. We hebben aan de ene kant duidelijke uitspraken van de Selef, en aan de andere kant de uitspraken van post-klassieke vroegmoderne Maliki geleerden die zich baseren op handelingen van mensen.

Moderne Maliki geleerden, Imaam al-Shatibi en algemene bewijzen

Wat verder nog overblijft van het artikel van el-Yousfi zijn wat losse uitspraken her en der verzameld van moderne Maliki geleerden uit latere eeuwen, ver na de Selef en na Imaam al-Maalik en zijn directe studenten, zoals: 

  • Abu Said Ibn Lub uit 1381
  • Al-Wansharisi uit 1508
  • al-Qadhi Amr al-Azmouri 1942
  • Mohammed Sa’id al-Kanuni al-Madhkuri 1978

En als we kijken naar hun “bewijs” dan is dat in de meeste gevallen een algemene hadith waarin wordt gezegd:

“Wanneer mensen zich in een van de huizen van Allah verzamelen en gezamenlijk de Koran bestuderen, daalt de rust (Sakinah) op hen neer.”

Het is voor iedereen duidelijk dat dit soort zeer algemene overleveringen geen bewijs kunnen vormen voor een specifieke aanbiddingsvorm zoals het reciteren van de Quraan of het verrichten van al-Dhikr met één gezamenlijke stem. Daarom beschouwde al-Imaam al-Shaatibi het (mis)gebruiken van algemene overleveringen voor specifieke aanbiddingsvormen als ‘het verdraaien van de bewijzen uit hun context’.

Al-Imaam ash-Shaatibie zegt onder het hoofdstuk “Taḥrīf al-Adillah ʿan Mawāḍiʿihā” (verdraaien van de bewijzen uit hun correcte context):

“Wanneer een bewijs contextueel is overgeleverd en het wordt weggehaald uit die context naar een andere kwestie om zo de impressie te geven dat de twee contexten één en dezelfde zijn, dan is dit een van de subtiele vormen van het verdraaien van woorden uit hun correcte context, en toevlucht wordt gezocht bij Allāh. En het is overduidelijk dat een persoon die de Islaam bevestigd en het verdraaien van woorden uit hun correcte context afkeurt, dat hij niet zomaar zich schaamteloos inlaat met zo een praktijk (van het verdraaien) behalve door enige verwarring die bij hem ontstaat, of door onwetendheid welke hem verhinderd van de waarheid, samen met hawaa (begeerte) welke hem verblind om het bewijs te
nemen op de correcte wijze, met als resultaat dat hij dan hierdoor een innovator wordt.

En de uitleg hiervan is: Wanneer een bewijs uit de sharie’ah (wetgeving) een bepaalde zaak bepaald op algemene wijze, van wat samenhangt met aanbiddingen bijvoorbeeld, dan voert de dienaar het ook op algemene wijze uit. Zoals het gedenken van Allāh, en het verrichten van smeekbeden, en de aanbevolen nawaafil daden, en wat hierop lijkt van die zaken waarvan het bekend is vanuit de Wetgever dat hierin ruimte zit (m.a.w. het is zeer algemeen). De bewijsvoering biedt hem dan (enkel) vanuit twee oogpunten ondersteuning: vanuit het oogpunt van de (taalkundige) betekenis (van het bewijs) en vanuit het oogpunt van de praktische uitvoering van de Salaf aṣ-Ṣāliḥ (de vrome voorgangers) in deze kwestie.

Maar, als de dienaar een daad verricht met een specifieke kayfiyyah (vorm, samenstelling), of op een specifiek tijdstip of een specifieke plaats, of gekoppeld aan een specifieke daad van aanbidding, en hij volgt dit op waarbij het de impressie geeft dat deze kayfiyyah (vorm,samenstelling), tijd of plaats bedoeld is vanuit de wetgeving zonder dat het bewijs hierop duidt, dan is het bewijs verstoken van die betekenis waar het voor gebruikt wordt als bewijsvoering.

Dus wanneer de wetgeving bijvoorbeeld duidt op het feit dat (het verrichten van) dhikr aanbevolen is, en (vervolgens) zijn er mensen die het uitvoeren ervan collectief verrichten in een groep met één (gezamenlijke) stem, of op een specifieke bekende tijd uitgezonderd van andere tijden, dan is er niets in de bepaling van de wetgeving (m.a.w. het bewijs dat gebruikt wordt) wat duidt op deze specifieke (vorm van het verrichten van de dhikr) welke uitgevoerd wordt. Integendeel, in deze tekst is datgene aanwezig wat het tegenovergestelde bewijst 2M.a.w, de tekst vernoemd de daad (zoals bijvoorbeeld het verrichten van dhikr) in een brede en algemene wijze, ongespecificeerd. En de tekst dient op deze algemene en ongespecificeerde indicatie te blijven en is derhalve in tegenstrijd met de geinnoveerde specificaties welke geinnoveerd zijn enkel op basis van de meningen en opinies van mensen. Dus o beste lezer sta goed stil bij deze woorden van deze grote Imaam en overpeins het!!, want het praktiseren van zaken welke niet uit de wetgeving voortvloeien zorgt ervoor dat men hieruit begrijpt dat het voorgeschreven is, dit is helemaal het geval wanneer deze uitgevoerd worden door iemand die gevolgt wordt (zoals een bekende imaam of prediker) en in de aanwezigheid van grote groepen mensen zoals in de moskeeën. Wanneer deze daden zo een aanzien krijgen op deze wijze, en uitgevoerd worden in moskeeën zoals andere religieuze uitingen (sha’aa`ir) die voorgeschreven zijn door de Boodschapper van Allāh ﷺ (om uitgevoerd te worden) in de moskee en wat erop lijkt, zoals de adhān, de twee ʿIed
gebeden, en de gebeden voor regen en bij een (maan/zon)verduistering Het is zonder twijfel dat men hieruit zal begrijpen dat deze daden behoren tot de soennah, als men al niet hieruit begrijpt dat het (zelfs) verplicht is (!!) Het is dus gepaster als men het (algemene) bewijs waarmee bewijs wordt gevoerd (om deze specifieke praktijken ermee te ondersteunen) niet zo zou gebruiken, omdat het vanuit deze optiek een nieuwe geinnoveerde innovatie wordt.

En gebaseerd op dit gegeven lieten de Salaf aṣ-Ṣāliḥ en degenen die hen volgden dit soort zaken achterwege, of handelden zij hier niet naar. En als dit voorgeschreven zou zijn in navolging van de stelregels (uit de wetgeving) dan zouden zij de vooraanstaanden zijn in het uitvoeren van deze zaken. Want de Wetgeving beveelt adh-Dhikr (het gedenken van Allāh) aan op vele plaatsen, zelfs zodanig dat het verzoek om te vermeerderen in aanbidding niet zo veelvuldig wordt verzocht als het vermeerderen in het verrichten van adh-Dhikr, in tegenstelling tot alle andere daden van aanbidding.

Zoals de uitspraak van Allāh

Oh jullie die geloven, gedenkt Allāh veelvuldig!
[33:41]

En Zijn uitspraak:

“...en zoekt de gunst van Allāh, en gedenkt Allāh veelvuldig. Hopelijk zullen jullie welslagen.
[62:10]

Wat hier ook op gelijkt is de duʿā (smeekbede) want dat is (ook) het gedenken van Allāh, en toch (ondanks) dit (alles), verrichtten zij (de vrome voorgangers) hierin niet deze (verschillende geinnoveerde) vormen (kayfiyyaat), en zij beperkten het niet op speciale uitgezonderde tijdstippen, waarbij het de indruk wekt dat de aanbidding uitgezonderd dient te worden op die specifieke tijdstippen. Behalve wat door de bewijsvoering zelf wordt gespecificeerd, zoals (het gedenken) in de ochtend en de avond. En zij deden deze daden niet hardop, behalve wanneer er door de wetgeving textueel wordt vermeld dat men het hardop dient te verrichten zoals het gedenken tijdens de twee ʿIed dagen en wat erop lijkt (zoals de
talbiyyah bij de Hadj). En wat betreft wat daarbuiten valt, dan waren zij gewoon om het (gedenken van Allāh) met een zachte stem te doen en verborgen. Daarom zei hij ﷺ tegen hen wanneer zij hun stemmen verhieven:

Wees gemoedelijk voor jullie zelf, voorzeker jullie roepen niet iemand aan die doof is of afwezig

[al-Bukhārī 2992]

En wat hier gelijk aan is (aan overleveringen). Dus zij verrichtten het niet openlijk (hardop met hun stemmen) in bijeenkomsten. Derhalve, één ieder die dit fundament tegengaat is ten eerste de itlaaq (hetgeen waar het bewijs ongespecificeerd op duidt) van het bewijs tegen gegaan, omdat hij het op basis van raʾī (opinie) restrictief heeft gemaakt, en (ten tweede) is hij degenen die meer geleerd zijn in de Sharie’ah tegen gegaan, en zij zijn de Salaf aṣ-Ṣāliḥ (de vrome voorgangers) – moge Allāh tevreden met hen zijn. Sterker nog, zelfs de Profeet ﷺ liet een daad, terwijl hij ervan hield om het uit te voeren, uit angst dat de mensen ernaar zouden handelen denkende dat het verplicht gemaakt zou zijn voor hen.” [Al-I’tissaam 2/59]

Dus deze geweldige Imaam ash-Shaatibie maakt met deze verbazingwekkende woorden duidelijk dat men niet zomaar algemene teksten uit de Qoer’aan of de Soennah kan pakken en deze vervolgens specifiek gaan toepassen. In tegendeel men is gebonden aan twee zaken – zoals al-Imaam ash-Shaatibi duidelijk maakt hierboven – namelijk :

▪︎ Datgene waar de tekst zelf op duidt aan betekenis.
▪︎ Hoe de Salaf het uitgevoerd hebben.

En de “bewijzen” die worden aangehaald door deze laatkomers van de Maliki mashaykh schieten tekort op beide vlakken, en sommige bewijzen zijn niet eens authentiek.

Abu Dardaa’ en het bestuderen van de Quraan

Wat betreft het samenkomen in de moskeeën om de Quraan te bestuderen, zoals door sommige geschiedbronnen wordt toegeschreven aan Abu Dardaa` dan is hier geen probleem mee. Dit zijn studiekringen waar men om de beurt reciteert, waar men gecorrigeerd wordt op de correcte recitatie en waarbij men de verzen uitlegt met tafsir en dergelijken. Buiten het feit dat dit geschiedkundige verhalen zijn zonder authentieke bron met een doorlopende keten tot aan Abu Dardaa` zien wij in deze bronnen niet terug dat men dit deed op de wijzen zoals wij dit bij de Khalaf (laatkomers, de generatie na de Selef) zien.

Dit bestuderen van de Quran op deze wijze is iets wat nog veelvuldig gebeurt in bijvoorbeeld Saudi Arabie, waar er alleen al in Medinah jaarlijks 960 Quran cirkels worden gehouden die 17.609 studenten omvatten:

Omgaan met meningsverschillen

Tot slot, wat betreft het omgaan met erkende meningsverschillen, dan ligt de nadruk op erkend, en geven de geleerden hier duidelijke richtlijnen voor. Want niiet elke opinie is namelijk erkend, of gestoeld op een duidelijk bewijs.

Alvorens we hierop antwoord geven moeten we dus eerst stil staan bij het feit dat al-Khilāf (meningsverschil) tweesoortig is.

– Een Khilāf (meningsverschil) welke geaccepteerd (سائِغٌ) en achtenswaardig (مُعتَبَرٌ) is

– Een Khilāf (meningsverschil) welke niet geaccepteerd (سائِغٌ) en achtenswaardig (مُعتَبَرٌ) is.

En beide soorten kent niveaus.

Hetgeen wat behoort tot de kwesties waar geen bewijs voor is uit het Boek en de Sunnah, of de bewijzen vanuit de twee kanten bekeken zijn gelijkwaardig aan elkaar, waarbij twee correcte bewijsvoeringen uit de Sharīʿah even overtuigend zijn, waarbij het niet mogelijk is om een van de twee standpunten stellig correct te beschouwen. Dit zijn de kwesties waarbij de Khilāf wordt gezien als een geaccepteerd meningsverschil. Het verdient de voorkeur om dit soort verschillen te kwalificeren als zijnde Masāʾil al-Idjtihādiyyah (kwestie van Idjtihād)  i.p.v. Masāʾil al-Khilāfiyyah (kwesties van geschil), vanwege het onderscheid tussen de twee. En dit is hetgeen waarbij men niet de ander berispt.

al-Shaykh Ibn ʿUthaymīn zei: “Als wij in absolute zin zouden stellen dat er niet berispt mag worden in de Masāʾil al-Khilāfiyyah (kwesties van geschil), dan zou de gehele Godsdienst verloren gaan! Dan worden (enkel) de versoepelingen (door de mensen) gevolgd. Want je vindt haast geen kwestie of er bestaat Khilāf over.[3]

Ibn Taymiyyah heeft het verschil verduidelijkt tussen de kwesties van al-Khilāf en kwesties van al-Idjtihād. Wanneer is berisping daarin toegestaan en wanneer niet.

Hij zei: “Wanneer een uitspraak in tegenstrijd is met een Sunnah, of een eeuwen oude Idjmāʿ (consensus), dan is het verplicht om dit dienovereenkomstig af te wijzen, […] maar betreft de handeling die indruist tegen een Sunnah of een Idjmāʿ, dan is het ook verplicht om dit af te wijzen, naar gelang de verschillende niveaus van Inkār (afwijzing/berisping) […] Maar als er bij een kwestie geen Sunnah bekend is en geen Idjmāʿ, en al-Idjtihād is daarin geaccepteerd; dán wordt degene die dit verricht niet berispt, of hij nu een Mudjtahid is of een Muqallid.”[4]

Zo zei hij ook over de kwesties van Idjtihād, en niet van al-Khilāf: “Wie in de kwesties van al-Idjtihād handelt volgens de uitspraak van sommige geleerden, hij wordt niet berispt en niet geboycot[5]

Al-ʿIzz ibn ʿAbd al-Salām zei: “De bepalende factor hierin is als het afwijkende standpunt extreem zwak is en verre van correct, in zo een geval wordt er niet naar omgekeken en wordt er geen aandacht aan besteedt. Wanneer het afhankelijk is van een tekst die niet geschikt is als wetmatig bewijs[6]

al-Zarkashī zei: “Al-Khilāf bestond altijd tussen de Selef in al-Furūʿ (aftakkingen), en niemand van hen berispte de andere wanneer hij hierin een mudjtahid was. Maar zij wezen enkel hetgeen af wat indruist tegen een expliciete tekst (uit de openbaring) of een onomstotelijke Idjmāʿ, of een onmiskenbare analogie[7]

📚 Bron: al-Masʾalah hā khilāf 2/2, Shaykh ‘Alawi as-Saqqaf, – dorar.net

Maar zelfs als het gaat om zaken van Idjtihād, dan is het niet zo dat men totaal niet de ander mag aanspreken hierop. Zo zegt Ibn Taymiyyah hierover:

En daarom zeggen de geleerden, die geschreven hebben over al-Amr bi al-Maʿrūf wa an-Nahī ʿani al-Munkar (het gebieden van het goede en het verbieden van het slechte), van de Shāfiʿiyyah en anderen dan hen: In dit soort Masāʾil al-Idjtihādiyyah dient men niet af te wijzen met de hand, en niemand dient de mensen te verplichten om hem hierin te volgen. Maar er wordt wel over gesproken met wetenschappelijke bewijsvoeringen, als dan de correctheid voor iemand duidelijk wordt van een van de twee uitspraken dan dient hij dit te volgen. En wie (als muqallid) blind de uitspraak van de anderen volgt, dan wordt hij hierom niet berispt.”[8]

Maar wie een muqallid is, die niet in staat is om op enige wijze onderzoek te doen, die dient slechts blind te volgen voor zichzelf en mag anderen niet uitnodigen naar die mening, noch andere berispen die een andere mening volgen of de bewijzen volgen. 

Lang verhaal kort, el-Yousfi heeft een langdradig artikel geschreven wat uiteindelijk gestoeld is op Taqlid van de Madhhab en het laten van de Sunnah en de Weg van de Selef. Dus aan de ene kant nodigt hij de mensen uit naar het blind volgen van een wetschool, omdat men zogenaamd niet in staat is om het bewijs te onderzoeken. Maar hoe kan het dan zijn dan el-Yousfi als muqallid wel een artikel mag samenstellen om anderen naar zijn blinde opinie uit te nodigen? Of beschouwt el-Yousfi zichzelf als een mudjtahid?? Ook zien we dat hij – zoals hij en zijn kameraden vaak beweren – helemaal niet terugkeerd naar klassieke geleerden, maar eerder naar post-klassieke en moderne geleerden vanonder de laatkomers die eeuwen na de gezegende generatie van de Selef en 4 imaams kwamen. Waar hij – helaas – mee bezig is in Nederland is het laten heropleven van innovaties en de mensen uitnodigen naar het blindvolgen van personen en het verlaten van al-Ittibaa` van de ultieme foutloze Imaam Mohammed ibn ‘Abdillaah ﷺ

Wij vragen Allaah om el-Yousfi terug te laten keren naar de Rechte weg en hem te leiden naar de Manhadj van de Selef.

🖋️ Abu Hudayfa Musa ibn Yusuf 

Tags:

Geef een reactie

Your email address will not be published.

*