Fatwā Sh. Taqiyyudīn al-Hilālī over degenen die hun land aan de Zionisten verkopen.

in Actualiteiten/Aqidah - Geloofsleer door
Leestijd: 3 minuten

“De edele Ustāḍḥ Muḥammed Ṣabrī Effendi ‘Ābidīn stelde een vraag aan de gerespecteerde geleerde, Shaykh Muḥammed Taqiyyudīn al-Hilālī al-Maghribī, over het oordeel van de eerbiedwaardige Sharīʿah over degenen die hun land verkopen aan de Zionisten, en helpen bij het overdragen van de Palestijnse gronden van de rechtmatige eigenaars naar de gretige vijanden.

De Shaykh gaf het volgende antwoord:

 

In de naam van Allah, de Meest Barmhartige, de Meest Genadevolle,

Iedereen die de Torah en de commentaren daarop heeft gelezen, en vervolgens de Joodse Zionistische beweging heeft bestudeerd, zelfs als dat slechts gedaan is middels het lezen van kranten en het accepteren van de mutawātir berichten die zijn overgeleverd van degenen die uit Palestina komen. Die weet zeker dat de Joden geloven dat het Heilige Land, inclusief de belangrijkste historische monumenten zoals al-Masdjid al-Aqṣā die genoemd is in de Qurʾān en de Ḥadīth, de derde Masdjid waarvoor het toegestaan is om er een reis voor af te leggen ter bezoek, voor hen is geschapen en niet voor anderen.

Ze moeten (als religieuze plicht) de inwoners ervan verdrijven waarbij het bereiken van dat doel alle middelen heiligt. Ze hebben al lange tijd geprobeerd om hun innerlijke overtuigingen uit te voeren, en ze zijn daarin zeer toegewijd, waarbij ze hun levens en waardevolle bezittingen opofferen, en ze worden hierin bijgestaan door een grote staat. En een ieder die tevreden is met het confisqueren  van het Heilige Land uit de handen van de moslims naar hun vijanden, zelfs als hij daar niet direct aan bijdraagt; wordt beschouwd als een ongelovige, met wie geen verdrag meer wordt gesloten en wie geen bescherming meer geniet. Laat staan als hij zich aansluit bij de rijen van de bezettende indringers en hen helpt met hun zonde en overduidelijke misdaad. En hetzelfde geldt voor wie helpt bij het uit handen geven van Mekka of Medina van de islam – toevlucht bij Allaah wordt gezocht.

Toen de Europeanen deze heilige landen binnenvielen, ongeveer negen eeuwen geleden, stonden alle moslims, inclusief hun geleerden, op om ze te verdedigen, en niemand sloot zich aan bij de indringers behalve een vijand van de islam. Dus de plicht van de moslims van vandaag  om te verdedigen is dezelfde verplichting als in die tijd, en het oordeel over degenen die zich afscheidden van hen en zich bij de vijanden van de islam voegden, blijft hetzelfde in deze tijd, en hier zijn vele bewijzen voor. We zullen ons beperken tot het citeren van één daarvan, namelijk de uitspraak van Allāh de Verhevene:

“Je zult geen volk vinden dat gelooft in Allah en de Laatste Dag die vriendschap koestert voor degenen die zich tegen Allah en Zijn Boodschapper verzetten, zelfs als het hun ouders of hun kinderen of hun broers of hun stamgenoten waren”

[al-Mudjādilah: 22]

En Hij zei in Sūrah al-Māʾidah [5:51] over degenen die loyaliteit tonen aan de vijanden van de islam:

“En wie van jullie hen als vrienden neemt, is inderdaad een van hen,”

En Hij zei in al-Mumtaḥanah [60:9]:

“Allah verbiedt jullie slechts om degenen die jullie in de religie hebben bevochten en jullie uit jullie huizen hebben verdreven en hebben geholpen bij jullie verdrijving, als vrienden te nemen; en wie hen als vrienden neemt, zijn de onrechtvaardigen.”

En we denken niet dat er ook maar iemand van de moslims zou durven te beweren dat degene die een aanleiding is geweest voor het uit handen geven van een van de drie moskeeën van de moslims, dat hij nog steeds een moslim is, toevlucht bij Allāh wordt gezocht hiertegen.

(Zoals de poëet zei)

“Je houdt van mijn vijand en dan beweer je dat *** ik je vriend ben. Voorwaar het is loyaliteit die jou ontbreekt

als je mijn dood wenst terwijl je mijn geliefde bent *** dan zijn mijn vijanden en de geliefden één.”

En welke strijd tegen de Islam is groter dan het wegnemen van een van de drie masādjid uit haar handen naar de hand van haar vijand? En als dit de daad zou moeten zijn van een moslim, wat is dan de daad van de ongelovige die vijandig staat tegenover de Islam? En als de (kracht en belang van de) Islam niet was verdwenen en zijn kenmerken niet waren vervaagd dan zou deze kwestie niet eens een fatwa nodig hebben, want schandelijk is het uitleggen van hetgeen wat vanzelfsprekend is.

Dit is wat wij als onwrikbare overtuiging hebben en waarmee wij Allāh aanbidden, wa ssalaam.”

Geschreven door Muḥammed Taqiyyuddīn al-Hilālī al-Maghribī in Zubair op de tiende van Shawwāl in het jaar 1353 van de Hidjrī kalender, en moge de Ṣalāh van Allāh  over Zijn beste schepping zijn, Muḥammed, en al zijn familie en metgezellen (1).

(1) Abu ʿUbaydah (Mashūr Ḥasan Salmān) zei: “Hoezeer hebben de moslims, zowel de heersers als deonderdanen, deze en soortgelijke fatwa’s nodig in deze tijden, vooral nu de samenzwering tegen het geliefde Palestina toeneemt naarmate de tijd verstrijkt. Maar Allah, de Verhevene, is Degene die verlichting brengt en ondersteuning biedt, en het is Zijn onveranderlijke wet dat uiteindelijk de godvrezenden zullen zegevieren.”

Vertaling: Abu Hudayfa Musa ibn Yusuf

Bron: al-‘Uyun al-Zulaaliyyah fie l-Fataawaa al-Hilaaliyyah, pag 1437-1439

Geef een reactie

Your email address will not be published.

*